Zij die in de bergen zijn - EDM-2013

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Zij die in de bergen zijn

Boekbesprekingen
                             (Dagdakiler)
  Kadri Gürsel, journalist van een Frans persbureau, werd op 31 Maart 1995 door de Koerdische opstandelingen PKK  gekidnapt.  Hij trok met hen 26 dagen door het woeste Bagok gebergte en hield een dagboek bij, waarvan dit boekje het verslag is. Het angstwekkende is, dat het toont dat er (behalve 40.000 doden) in 20 jaar niets is veranderd.                                                                                                         .   
In het volgende tracht ik enkele stukken daarvan te vertalen:
   Ik was met collega Fatih van Reuters op weg naar Diyarbakir, vanaf de Iraakse grensstreek waar wij waren geweest om verslag te doen van de zoveelste militaire operatie tegen de PKK. Onderweg stopten wij.   De weg werd beschermd door tanks, hun lopen naar de bergtoppen gericht. ‘Kom eens mee’, zei de kapitein. Na wat lopen wees hij op 3 lijken, omzwermd door vliegen. Een gruwelijk tafereel: Hun oren waren afgesneden, bij een waren de ogen uitgestoken. Midden in het gelaat van de ander was een groot gat: van vlakbij beschoten. Een onderlinge afrekening van de (PKK) organisatie. Was dat vóór of na de executie gebeurd? De soldaten hadden geen afgesneden oren in de omgeving gevonden. De commandant van de tankafdeling vertelde, dat met deze operatie de PKK een grote logistieke slag was toegebracht. ‘Ze zullen niet meer in de toestand van 2 jaar geleden terugkeren. Drie dagen geleden hebben wij zakken vol mijnen gevonden: raketten van Duitse, Italiaanse en Franse makelij, Russische raket patronen. Volgens de commandant hadden ze de wapens, munitie en levensmiddelen in handen gekregen zodat ‘het is afgelopen met de PKK’. Blijkens afgeluisterde telefoongesprekken had de PKK door deze operatie een enorme morele klap gekregen.  
 Het hoofdkwartier van de tank brigade was over de weg gevestigd: Tenten, stapels   granaten, mortieren,  communicatie systemen.  Overal viel de ordelijkheid  op. Alles leek kalm, de soldaten rustig, alsof het een manoeuvre betrof. De eerste dag had hier een gevecht plaatsgevonden, maar sindsdien waren er geen schermutselingen meer geweest. ‘Ons doel is niet, de terroristen één voor een te achtervolgen, wij willen hun infrastructuur vernielen en daar zijn we aardig in geslaagd. Zij durven zich althans niet meer te vertonen. Deden ze dat maar. Maar ze kunnen niet tegen de Turkse krijgsmacht op, ze verstoppen zich’ aldus de generaal. Met zijn keurig gestreken uniform, zorgvuldig gekamde haren was het moeilijk voor te stellen,dat hij bezig was vijanden achterna te jagen. Terwijl we op de door rupsbanden omwoelde grond aan een tafeltje thee zaten te drinken legde hij uit: ‘Wij moeten hier niet zonder een grondige oplossing vetrekken. Dat betekent een politieke, geen militaire oplossing. Dus willen we met de KDP (Iraakse Koerden) samenwerken tegen de PKK. We zullen hier Turkse scholen openen, onderwijzers brengen en Iraakse kinderen Turkse opleiding geven. We gaven dorpen andere namen. Ons doel is onszelf beter bekend te maken zodat ze het verschil met de PKK zien’.                                                                                     .    Hierna kwam het gesprek op de buitenlandse pers. ‘Wij hebben gisteren een buitenlandse journaliste ontvangen . We hebben allerlei vragen beantwoord, maar wie weet wat zij heeft opgeschreven’.       Dat was en duidelijke hint naar ons: ‘Schrijf geen verkeerde dingen’. Wij stelden hem gerust: ‘Wij werken wel voor buitenlandse pers bureaus maar we zijn Turken en zullen ons geweten volgen’.
   s’Middags trokken wij door Cizre en volgden de klassieke zijderoute naar Nusaybin, kilometers langs de Syrische grens. Aan Turkse kant prikkeldraad, mijnenvelden, wacht torens, aan Syrische kant zo te zien geen voorzorgsmaatregelen. Het hoofdkwartier van de leider van de operatie, generaal Kundakce, was in Silopi. Vanhier gaat een strategische weg naar Diyarbakir, en het wemelde er van soldaten. Om de 5 tot 10 kilometer is een militaire post, iedereen wordt aangehouden en moet zich identificeren. Dat de PKK hier actie zou kunnen ondernemen, kwam niet bij ons op.
De zon was een uur onder en ik viel om van de slaap. Plotseling remde de chauffeur. Er stonden auto’s op de weg, allemaal vrachtwagens . Hun lichten waren gedoofd, de signaallampen aan. ‘Een ongeluk zeker’ dacht ik.  Plotseling kwamen tussen de vrachtauto’ s twee met geweren gewapende vrouwen tevoorschijn. Zonder dat wij nog iets begrepen richtten zij hun geweren op ons. Dat waren PKK-ers! Ze zagen er ook zo uit als  op de foto’s. Ze waren erg opgewonden en schreeuwden van alles in het Koerdisch alsof ze iets van ons wilden, maar we verstonden hen niet. Moesten we uitstappen, handen omhoog steken? Verder was mijn hoofd leeg.  Hoewel de wapens op ons gericht waren, kwam het niet bij me op dat we gedood konden worden. Die twee uit het donker opgedoken vrouwen hadden onze wereld in handen en wij waren machteloos. Na enkele seconden  verbrak een Turks sprekend man de stilte: Bent U Turk? Ja, we zijn Turkse journalisten’. ‘Doof Uw lampen en kom uit de auto’. Er waren nog een stuk of 6 PKKers, allen mannen en natuurlijk gewapend. Persoonsbewijs? Wij overhandigden het. ‘Welke krant?’. ‘Een buitenlandse, ik van een Franse, mijn vriend van  Reuters’.   ‘Wij zijn PKK guerrilla’s. Op dit moment is ons doel de fascistische Turkse staat een slag toe te brengen’ zei de man met de zaklantaarn. Het was een slanke man met een lange smalle snor. Ze spraken onder elkaar. ‘Tirkse journalisten’ hoorde ik zeggen. De man met de snor vroeg waarom we hier waren. We legden het uit. Dat versoepelde hen blijkbaar. Hun gedrag tegen ons was niet scherp en vijandig. Er was zelfs iets beleefds, ondanks de gespannen sfeer.   
  Ruim 20 meter verderop zaten de chauffeurs en andere passagiers te wachten. Een vrouw met raketwerper paste op ons. Ze droeg de raketwerper op de rechter schouder, de vinger aan de trekker, de blik op de weg gericht. Fatih en ik spraken niet met elkaar om haar niet te verontrusten. Zij was kort van gestalte, een klein kopje. Haar donkerblonde haar was achter haar hoofd samengebonden.  Om haar schouders een kakhi sjaal, er onder een kort jasje. Zij sprak niet met ons, keek ons zelfs niet aan. Ik probeerde optimist te blijven: misschien zouden ze ons vrijlaten. Ze riepen ons naar de auto en onderzochten de inhoud. De man met de telefoon kwam ons hun oordeel brengen: ‘Wij zullen U gevangen nemen, dan hebben we een garantie. U zult met ons mee moeten komen, neem al Uw spullen uit de auto mee’. We gingen. We waren gekaapt, we begonnen een avontuur waarvan de afloop ongewis was.
  Ik had vroeger veel bericht over door de PKK gekidnapte journalisten en toeristen. Ik had zelfs in 1993 over de uitlevering van 4 Franse toeristen aan AFP gerapporteerd. Nu waren wij zelf nieuws geworden. We namen alles uit de taxi mee; ik mijn computer, Fatih zijn fotoapparaat. De zak met mondvoorraad wilden wij achterlaten. ‘Neem die ook mee’ zeiden ze: een blik tonijn, twee blikjes bonen en twee doosjes kaas. Het was duidelijk dat ze ons geruime tijd wilden houden. We hoorden een van hen tegen de chauffeurs een propaganda speech houden: Bekende kreten: Fascist, TC(Turkse republiek) Kontra, PKK enz.
 Toen bevalen ze ons met hen mee te lopen. De lange met de snor kwam naast ons en zei glimlachend: ‘U bent enkele dagen de gast van de Mardin guerrilla’s. Dan kunt U zien welke hardships wij verduren’. Waarschijnlijk was hij de groepscommandant. Er was altijd één met een draagtelefoon.  Wij liepen met snelle passen door het kniehoge onkruid de duisternis tegemoet. Ons tempo was voor hen kennelijk niet snel genoeg, de vrouwen riepen steeds: ‘Opschieten, sneller!’.   Ik wierp een blik achterom: De chauffeurs renden naar hun auto’s, startten ze, ontstaken de lichten en reden snel in beide richtingen weg. In 10 minuten was de weg uitgestorven.   Naast ons liepen 6 PKK-ers, in het vlakke veld bijna rennend. Voor ons leek dichtbij een berg silhouet. Syrië was in het Zuiden, wij liepen naar het Noorden. Na enkele minuten waren ook de auto geluiden verdwenen, alleen de sterren bleven. Op één moment waren we van de ene in de andere werkelijkheid gekomen, vol onzekerheid en gevaren.
 Ons tempo beviel hen helemaal niet. ‘Vriend Fatih’, zeiden zij, ‘jullie lopen niet goed. Let op, wij moeten weg uit het vlakke veld. Het vlakke veld is niet goed voor guerrilla’s’.  ‘Snel, snel’. Om de snelheid te vergroten namen zij onze rugzakken over.
  Plotseling schoot er in de verte een geweldige lichtflits. En nog een, en nog een. ‘Bukken, op je hurken’ riepen ze. Vervolgens kruisten machinegeweer kogels willekeurig het terrein, lichtsporen achterlatend. Mijn hart stokte. Na enkele seconden opnieuw. Zoeklichten zochten voortdurend het terrein af. Waarschijnlijk tanks van het Turgutlu bureau. Maar wij waren ver uit hun bereik. Weer werd vuur geopend, maar er was niets te vrezen. De commandant voerde een kort telefoongesprek. ‘Onze vrienden hebben pantser wagens getroffen’, zie hij.                                                                                         Tien minuten later was er een sigaretten pauze. Ze rolden handig hun sigaretten en boden ons een aan. Ik rook niet maar Fatih vond ze heerlijk. Een ander gaf een veldfles: we dronken met volle teugen. ‘Er is ook brood’ zeiden ze en haalden wat bikkelhard brood uit hun zak. Het was erg smakeloos. Uit beleefdheid nam ik een hapje, ik kon het nauwelijks door mijn keel krijgen. De rest stopte ik in mijn zak.
 Plotseling doken er in de verte een paar schimmen op. Zij maakten het geluid van een krekel. Een zelfde antwoord kwam. Het was een andere PKK groep. Zij kwamen bij ons zitten en het sigaretten ceremonie begon opnieuw. Zij spraken Koerdisch. Woorden als: ‘doorzeven, terugtrekken, tanks, politiebureau, hinderlaag, drongen tot mij  door. Zij waren allen hetzelfde gekleed: Een rugzak, om de hals een sjaal,  een hemd en vest, om het middel een dikke doek met gordelriem en wollen kousen met plastic schoenen: goedkope dorpkleren. De bewapening bestond meest uit Kalasnikofs. Twee hadden machinegeweren en twee raketwerpers. Aan de gordels hingen handgranaten.                                                                  
 De commandant riep twee bij zich en wees op ons. ‘Wij moeten beslist vóór zonsopgang op onze bestemming zijn. Jullie lopen niet goed, anders zouden we er binnen twee uur zijn. Wij gaan vooruit, deze vrienden gaan met jullie’. Zij gingen op pad en waren in enkele minuten in de duisternis verdwenen. Het viel ons op hoe regelmatig en snel zij in de donker, ondanks wapens en zware bepakking liepen: als  op maat van een metronoom.
    Wij gingen op weg naar het Noorden, maar het silhouet van de berg vóór ons leek niet dichterbij te komen. Een van hen kwam bij ons lopen, zijn ‘bergnaam’ was Roges. Hij was 18 jaar en al twee jaar ‘bij de partij’. Wilde een praatje maken. Waar we vandaan kwamen, voor welke krant we werkten.‘Wat vindt U van de noodzaak van deze oorlog?’ Wat moest ik antwoorden? ‘Slecht’, zei ik. Dat beviel hem blijkbaar. Even later begon hij weer: ‘De PKK vecht niet alleen voor het Koerdische volk, maar voor het hele Midden Oosten. Wij zijn een mensen beweging, dat zul je in Bagok wel zien: Er zijn guerrilla’s van 13 tot grootvaders in de 70. De Turkse staat heeft van alles tegen ons ondernomen maar niets bereikt. Ze hebben technisch voordeel, anders waren ze al lang uit ons land verdwenen. Maar de economie is ingestort. Weet U hoeveel Kobra’s ze hebben? Ze gebruiken dezelfde tactiek als de Amerikanen in Vietnam: Dorpen in brand steken, oogst vernielen. In Bagok zul je zien hoeveel dorpen er ontruimd zijn. Ze noemen ons ‘terroristen’ maar de echte terrorist is de Turkse staat’. Ik moest wel naar hem luisteren. Er was in de bergen een meedogenloze oorlog aan de gang, hij kon ieder moment sterven. Dat gaf hem trots, en nu had hij de zeldzame kans, tegen een Istanbulse journalist te praten. ‘De PKK is gemilitariseerd.  Overal in Koerdistan zijn 50.000 guerrilla’s, allen vrijwillig. De Turkse soldaten tellen hun dagen, wij vechten tot het einde’.  Zij hadden ons niet ‘ontvoerd’,  maar gevangen genomen, dat was een oorlogsnoodzaak. Hij beklaagde zich over de Turkse pers: ‘Zij schrijven niet de waarheid. Er staat niets over al die soldaten die wij doden, dat wordt verborgen’.
Ik was gedwongen te lopen. Uit Irak kwamen we al als een uitgeperste citroen, dromend van en heerlijk bed. Na uren lopen in het duister werd de moeheid  ondraaglijk. Het was al lang niet meer vlak terrein. Lopend in het duister over rotsen doornstruiken en boomtakken. Maar de berg bleef even ver als een visioen. Eindelijk was er een rustpauze. Ik lag op mijn rug, maar Roges zei: Ga vooral niet slapen, als je wakker wordt ben je nog moeër en loop je slechter’. Ik vroeg water en hij gaf een veldfles maar zei: ‘Drink niet te veel, daar krijg je last van’
Op de top van het Bagok gebergte gekomen, hadden we 8 uur gelopen. Het was een soort grote ketel met rondom rotsen, bezaaid met lage boompjes en struiken, een uitstekende schuilplaats. Zij die lang vóór ons waren aangekomen lagen te slapen De twee groepen vrouwen lagen op minstens 30 meter afstand. We zouden hier tot zonsopgang blijven. We probeerden te slapen maar werden na een half uur bibberend wakker. Een waker probeerde iemand wakker te maken.. ‘Hevale Cudi, hevale Cudi’ riep hij. Ik begreep dat ‘hevale’ het Koerdische woord voor kameraad was, en Cudi de codenaam van onze commandant. ‘We zullen je een  guerrilla vuur laten zien’.          

Wat dikke takken in een vierkant, daarbinnen droge twijgjes. Een stukje nylon stak hij er onder aan, en inderdaad vlammen stegen op maar geen rook. Hij haalde wat suiker en thee uit zijn zak en deed die in het kokende water. ‘Wij kunnen twee dagen zonder eten, maar niet zonder thee en sigaretten’. Roges toonde ons een album met foto’s. Dat zijn gesneuvelde  (sehit) vrienden.
Zij begonnen weer het droge brood te eten en brachten onze voorraad eten:  Er was niets uit verdwenen. ‘Alsjeblieft, dit is van jullie’.             ‘Geen sprake van, we delen alles samen’, zeiden wij. ‘Nee, dat eten wij niet, het is van jullie’.  Ze waren niet te overtuigen.                                                     De weg barricade kwam ter sprake. Zij hadden ook een particuliere auto meegenomen, vriendelijk gezegd ‘in beslag genomen’ Ze verdachten de eigenaar ervan ‘’Kontra’ te zijn. Dat zijn de door de staat tegen de PKK ingehuurde, plaatselijke Koerden. Zij vroegen nogmaals, wat wij in N.Irak kwamen doen. ‘Jullie hoeft niet voor je leven te vrezen, we willen je zo spoedig mogelijk vrijlaten. Maar wel op een veilige plek. Als we je hier los laten zal het leger je doden en de PKK de schuld geven. Daarom geven we je liever aan een internationale instantie, zoals het Rode Kruis’. Deze omgeving was niet veilig, daarom zouden we verder moeten. Als we goed liepen zouden we het in 2 dagen bereiken.                                                                                .   Zij vroegen ons, alle apparaten en documenten te tonen. Op de computer stond Frans, dus keken ze naar de zak telefoon. Die had geen bereik in de bergen. Het foto apparaat trok veel belangstelling: werkt het ook s‘nachts, hoeveel heeft het gekost? Ik was overtuigd, dat zij niets zouden stelen en alles bij onze vrijlating terug zouden geven. Zij behandelden ons respectvol, niet als gevangene maar als gast.                                                                                                                      .   Na een negenurige nachtwandeling kwamen we op 2 April op de eerste ‘veilige plek’ aan. IJskoude motregen. Er heerste een absolute stilte. ‘Ga wat slapen, vanavond moeten we verder’ zeiden ze. Een paar dagen tevoren had hier een gevecht plaatsgehad met tanks en Kobra’s. Het lag vol met raketscherven en gespleten rotsen. Zij zouden zich zonder verliezen hebben kunnen terugtrekken.  Na zonsondergang begonnen we weer te klimmen. Op de eerste heuvel troffen we een groep PKK. Uit het duister trad een naar voren. Hij had een verrekijker om zijn hals, op de heup een revolver, duidelijk de commandant. Hij sprak het beste Turks van allen, kennelijk op een middelbare school geweest en was een uitstekend redenaar. Hij trachtte ons te overtuigen dat wij zo veilig mogelijk zouden zijn. We waren natuurlijk niet ‘gevangen’ maar in beslag genomen. Er was hier een oorlog aan de gang en door als journalist hierheen te komen waren wij ook deel van die oorlog geworden. Als we die toestand accepteerden en geen problemen maakten was dat voor hen en ons zelf het beste.  We moesten zo goed mogelijk lopen. Je zult er aan  moeten wennen’ zei hij. ‘Wennen’, dat woord was op ieders lip. ‘Ben je moe? Dat zal wennen. Het guerrilla leven is zwaar, hè? Je moet er aan wennen’ Maar dat wilde ik helemaal niet en begon steeds meer hekel aan dat woord te krijgen.  ‘In de toekomst zul je weer naar je beroep terugkeren. Vergeet dan je verantwoordelijkheid niet ’.     
   13 April, 6 uur s’ochtends. We beginnen het Gabar gebergte te beklimmen en volgen een droge beekbedding. Het is 15 uur geleden dat we de oever van de Tigris verlieten. Ik ben uitgeput, mijn knieën begeven het. Munzur tracht met leden verder op contact te krijgen. ‘Kazim, Kazim,  hoe is de toestand?’ Hij wijst naar de toppen voor ons. ‘Daar zijn soldaten van 3 kanten, met mortieren,  we moeten snel lopen met 100 meter tussenruimte’. Plotseling een oorverdovende knal, weerkaatsend tegen de berghellingen. Een halve minuut nog een, en zo door. Het lijkt dat wij geen gevaar lopen. De hellingen aan weerszijden beschermen ons. Nog een knal. ‘Dat zijn onze raketten’ zegt Munzur. Er is dus een gevecht aan de gang.                               
  Maar ik kan niet meer, ik wil rusten maar dat kan niet.’Lopen, vriend Kadri’ zeggen ze. Ik wil rust. ‘Een mens is belangrijker dan rust, vriend Kadri’. ‘Maar ik ga dood’. Sterf dan maar, dat Allah je genadig zij’. Ik verander  van onderwerp: ‘Dit zou toch een veilig gebied zijn?’  Geen antwoord. ‘Lopen, vriend Kadri, in deze bergen is nog niemand van vermoeidheid omgekomen’. Tenslotte komen wij bij een PKK kamp. Het is overhaast verlaten. Huseyin roept luid, er komt een antwoord. Het is een 10 vierkante meter grote plek, van 3 kanten door rotsen omgeven, een geschikte schuilplaats. In de buurt zijn nog een paar zulke plekken, en een grot.
 We liepen nog een half uur door. Plotseling zegt Huseyin: ‘We zijn er’. Honderd meter verderop zag ik een groep PKK. Ze dronken rustig thee, geen spoor van een gevecht. De mannen schudden elkaar de hand. De vrouwen…. Een nieuw verschijnsel. Zij gaven geen hand, begroetten alleen met een hoofdknik.
 Wij gingen eten, zij kookten bulgur. Daarna kwamen we in gesprek. De oudste was 45 jaar, hij had lange tijd in de gevangenis gezeten. Het gevecht kwam ter sprake. Ze hadden gehoord, dat de soldaten van drie kanten oprukten. De PKK zaten op de toppen en overzagen het gebied. Juist toen hij dat vertelde, kwam er een explosie. Gevolgd door machinegeweren. Liepen wij gevaar? Gevechten, de dood, dat was hun manier van leven. Het lawaai kwam soms van ver, soms van dichtbij. Dat laatste was van de PKK. ‘Kruip tussen de rotsen, dan ben je beschermd tegen mortiergranaten’. Zij waren meer om ons bezorgd dan om hun eigen leven. Tenslotte keerde de rust, en begonnen zij het avondeten klaar te maken. De eerste groep strijders keerde terug, bezweet en uitgeput. Zij lachten en gingen om het vuur zitten. Er waren ook vrouwen bij. Zij hielden altijd afstand van de mannen.
  Juist toen ze thee schonken sprong iedereen overeind: er kwamen bezoekers. Drie mannen, ze drukten ons de hand. Uit het respect dat zij kregen moesten het hooggeplaatste PKK leiders zijn. Het enige dat hen onderscheidde was de bewapening. In plaats van Kalashnikofs droegen zij Amerikaanse AK-16 machinegeweren. ‘Welkom’, waren jullie bang?’ ‘Eh, een beetje’, zeiden we.
  De oudste noemden ze Kalker (Koerdisch voor arbeider). Er waren twee jongetjes van een jaar of 15 bij hen, Cemal en Kerim.  Ze maakten vuur en schonken thee. Kalker vroeg: ‘Zal de TC (Turkse Republiek)  het winnen in deze bergen?’  Hij gaf zelf het antwoord: ‘nooit’.
  ‘Ben jij de commandant in dit gebied? ‘Nee’, zei Maslum,  ‘Kalker is de commandant. Bij ons is van elke afdeling een militaire en een politieke commandant. Ik ben voor de politiek (PKK) verantwoordelijk, Kalker is de militaire (ARGK) commandant. Wij vormen een compagnie, die weer bestaat uit 3 pelotons.                                    

De vrouwen zijn net zo georganiseerd, met een vrouwelijke commandant. Zij slapen op minstens 50 meter afstand. Wij spreken niet van vrouwen en meisjes. Dat zijn sexistische termen. Wij zeggen ‘dames’, dat toont respect’ Mazlum vertelde over zichzelf. ‘Vanaf mijn jeugd was ik links en Koerdisch. Ik zat 11 jaar in de gevangenis. Ik heb veel geleden’. Hij liet zijn lichaam zien: bedekt met littekens. ‘Ik heb een zoon, hij moet 25 jaar zijn, maar ik heb hem uit het oog verloren. Misschien zit hij ook ergens in de bergen’.
  Die nacht sliepen we in de open lucht, dicht bij het vuur. Ik werd een paar keer bibberend wakker.  Cemal en Kerim zorgden goed voor ons, geachte gasten. Het waren weinig spraakzame, ernstige jongens. Ze hadden een bijzondere status, men noemde ze ‘servan’, zij zorgden voor de commandant, een soort ‘meester-gezel’ verhouding. Die beschermde en onderwezen hen. Zij vormden een verzekering van continuïteit van het leiders-kader. Zij hadden van kindsbeen af alleen armoede en geweld meegemaakt, wellicht ook zelf geleden. Hun wereld was er een van ‘wij-zij’, nuancering kenden ze niet. Ik kreeg de indruk, dat Mazlum voor straf naar de Gabar bergen was gestuurd. Kalkers invloed was duidelijk sterker, de jonge leden toonden meer eerbied voor hem. ‘Hij mag niet zo slim zijn, maar hij is een geweldige militaire leider’.  
Op 17 April verzamelde ong. 30 PKK mannen en vrouwen zich om Kalker, elk met wapens: machinegeweren en raketten. Er werd kennelijk een actie voorbereid. Kalker sprak ze een kwartier lang toe, drukte vervolgens elk de hand, waarna ze in Westelijke richting verdwenen. We hoorden, dat ze een kudde gingen stelen. Die behoorde aan een op 10 Km afstand wonende ‘dorpswachter’ Baho. Dat was een machtig man, hij had meer dan 100 dorpswachters onder zijn bevel. Het ontvoeren van zijn kudde zou een grote slag voor zijn prestige zijn. Maar de voornaamste reden was niet politiek, maar gebrek aan voedsel. Ons enige eten was droog brood en bulgur.
  De volgende ochtend werden we gekwekt door ontploffingen. Mazlum sprak door de telefoon met Kalker. Ze hadden duizend geiten geroofd. De dorpswachters waren er achteraan gegaan, de PKK had een hinderlaag gelegd. ‘Interesseert het jullie niet, waarom maak je geen foto’s’,vroeg een voor de grap. Ze begonnen elkaar door de telefoon uit te schelden.  ‘Maar nu zullen ze in het dorp honger lijden’ zei ik. ‘Ja, jammer hè?’.
  We brachten nog een nacht in een grot door, het was er vochtig en koud, maar de ‘servan’ maakten een vuur aan. ’Cemal, waarom ben je naar de PKK gegaan?’  vroeg ik. ‘Voor mijn plezier’. Ik durfde geen persoonlijke vragen meer te stellen, maar uit beleefdheid begon hij zelf. Hij was 2 maand geleden door een granaatscherf aan zijn enkel gewond. ‘Ze brachten me naar het ziekenhuis, ik ben geopereerd en genezen’. ‘Wat voor ziekenhuis?’ ‘In de bergen, er zijn dokters, verpleegsters, van alles’. Er zijn 10 bedden in tenten, ze hadden onder locaal anesthesie geopereerd.
  We gingen naar buiten, alles was rustig. Dijvar was met de kudde op weg, duizend was overdreven, een paar honderd. Een paar uur later kwamen de mannen terug, met hangende schouders, uitgeput. Ze hadden 10 uur gelopen, daarna gevochten en vervolgens teruggelopen. Er werd een geit geslacht. Zij waren er niet zo bedreven in: alleen bij het offerfeest. Dijvar vroeg met een beschaamde glimlach: ‘Heb je ooit varkensvlees gegeten?’ ‘Jazeker’, zei ik. ‘Oh, dat vlees is lekker. Vorige maand hebben wij een wild zwijn geschoten’.

  Ik vroeg veel ontwikkelde PKK-ers naar hun motieven. Zij hadden een verheven idee over ‘Kurdistan’. Dat zou alle Koerden uit Turkije, Irak en Iran moeten omvatten in een socialistisch regiem en het was de taak van de PKK dat te bereiken. Ik vroeg naar de Syrische Koerden (ongeveer 4 % van alle Koerden) die bij de PKK waren, Zij zeiden dat ze met hen een politieke band hadden en dat zij een belangrijke rol hadden in de Koerdische dorpen langs de grens.
 Zij gebruikten alle de linkse terminologie uit de jaren 70 en spraken vaak met bewondering over Stalin. Zij voelden zich niet alleen Koerd, maar vertegenwoordigers van alle M.O. volken die een internationale eenheid nastreefden. ‘De PKK is een mensenbeweging’ lag hen in de mond bestorven. Van de stichters van de PKK was er een Turk, en een Laz  (Georgiër) .  Maar de grote meerderheid van de PKK waren onopgeleide dorpelingen. ‘Het socialisme’ zei hen niets. Öcalan noemden zij  niet bij name, spraken over ‘de Leider’, hij was een symbool.
   Zij waren er van overtuigd, dat zij succes zouden hebben, anders konden zij dat zware leven niet volhouden. Maar wat was dat ‘succes’? Niet een militaire overwinning. Zij geloofden dat de Turkse staat de economische last van de oorlog niet zou  kunnen dragen. Daarnaast zou het volk, en met name de familie van de gesneuvelde soldaten de regering dwingen om een ‘politieke oplossing’ te zoeken. Zij waren nl overtuigd, dat er duizenden Turkse soldaten sneuvelden, maar dat de pers dat verborgen hield. Zij gaven Vietnam als voorbeeld: daar had het sterke Amerikaanse leger het toch ook tegen het volk moeten afleggen?
  Zij voelden zich één met de natuur en de bergen: ‘De soldaten komen uit de steden, zij zijn gewend over vlak terrein te lopen, Wij beklimmen een top in 15 minuten, soldaten doen er 3 kwartier over. Als zij uitgeput aankomen, beschieten wij ze vanaf de andere top’. Bovendien voelden zij zich superieur omdat zij alles vrijwillig deden. Maar zij beschuldigden de soldaten niet van lafheid. ‘De officieren geven ze ‘moed-pillen’. Grappig dat een Turkse officier destijds hetzelfde zei:’De PKK gebruiken drugs’.‘Wij leren Turks om te kunnen communiceren, maar geen Turk neemt de moeite Koerdisch te leren’.                                                     De macht van het leger lag in de ‘techniek’. Zij vreesden speciaal de Cobra helikopters. Zij hebben 20 mm machinegeweren en infrarood kijkers.    Maar de PKK heeft ook op het leger buitgemaakte G- infanterie geweren, die zijn beter dan Kalashnikovs.  Verder klaagden zij over het dorpswachter-systeem. ‘Dat zijn mensen uit de streek, zij kennen het terrein net zo goed als wij. Zonder hen zou de Turkse staat in de bergen niets kunnen doen’. Er zijn twee soorten dorpswachters: ‘Kontra’ en ‘neutraal’. De eersten doen wij zoveel mogelijk schade, maar de ‘neutralen’ zijn gedwongen omdat anders hun huizen in brand gestoken werden. Daarmee zijn wederzijdse betrekkingen. Om de moraal goed te houden worden eigen successen schromelijk overdreven. Zij zouden al 20.000 soldaten gedood hebben, 30 landen zouden de PKK steunen.
     Wij hoorden het geluid van helikopters. Dat gebeurde elke dag, we gaven er geen aandacht aan. Je kon ze van ver horen aankomen en de PKK hadden genoeg tijd zich te verbergen. Maar nu kwamen ze steeds dichterbij, draaiden om en kwamen terug. Haci schreeuwde: rennen! We doken weg tussen de rotsen. De Cobra’s vlogen weg naar het Noorden. Ontploffingen volgden, gevolgd door machinegeweer vuur. Toen we bij onze kampplek aankwamen, zaten Mazlum en wat anderen rustig onder een boom: geen spoor van raketten. ‘Ze hebben ons niet gezien’ zei Mazlum en wees naar de toppen: ‘Ze hebben een verlaten dorp gebombardeerd’.  Maar wij hadden wel een gewonde. Zijn wapen viel op de grond en schoot een kogel door zijn arm en schouder.  ‘Laat hij verrekken, maar hij is maar een van het ‘front’, zei Mazlum. Daarmee bedoelde hij ERNK, een tamelijk losse organisatie die de militaire arm, ARGK, steun moet bieden.  Voor de buiten- wereld geen verschil, maar wel voor Mazlum.
 ‘sAvonds voelde ik koorts opkomen. Ik was doodziek, kon de gebraden lever niet door mijn keel krijgen. Mazlum kwam bij me. ‘Waarom eet je niet? ‘Ik ben ziek’ zei ik. ‘Vriend Kadri, als je zo blijft liggen en niet eet, wordt je niet beter. Loop wat rond.  En, dat je het weet, vanavond gaan we weer verder’. Naar een andere plek lopen? Ik kon nauwelijks op mijn benen staan. ‘Dat kan ik niet’. Zijn gezicht betrok: ‘Om jullie veiligheid moeten we hier weg. Als er morgen een operatie is, wil je hier dan blijven en  sterven? Misschien kon ik op een muildier rijden.  Met die gedachte sliep ik in. Ze wekten mij om thee te drinken. Fatih vertelde, dat de mars tot de ochtend was uitgesteld.
     De volgende ochtend voelde ik mij iets beter. Er was geen muildier beschikbaar, zij waren alle beladen. Hoe dan ook, ik moest lopen.  Ze gaven ons elk een begeleider mee. De man die zichzelf gewond had was er ook bij. Zijn arm in verband, met een infuus. ‘Hoe gaat het, heb je veel pijn?’. “Goed’ zei hij. ‘Heb je veel bloed verloren? ‘Ja’. Hoe kon hij zich goed voelen? Hij hoorde in het ziekenhuis te liggen, maar er was zelfs geen muildier voor hem beschikbaar.
 
Een groep met Dijvar aan het hoofd kwam ons tegemoet. Met geiten, schapen en muildieren. Ze gaven zelfs geen groet. Daarna kwam een groepje vrouwen. Een van hen glimlachte alleen en zei: ‘Beterschap, vrienden’.                                                                                                           
Ik snapte er niets van. Die ochtend hadden ze nog gezellig met ons gepraat. Vanwaar die kilte, ongeïnteresseerdheid, vooral tegenover mij? Het enige dat veranderd was, was mijn ziekte. Ja, dat namen ze me kwalijk. Ziek zijn verwijderd de zieke. Onder hen is geen plaats voor iemand die zijn kracht verliest  Ik herinner mij een jonge PKK met erge nier-pijnen. Terwijl iedereen sliep, kreunde hij zachtjes, om de anderen niet te storen. Hij kreeg wel een pijnstiller, maar niemand bemoeide zich met hem. Bij hen is ’au’ zeggen schandelijk. Onze aan de arm gewonde vriend moest veel pijn hebben, zijn gezicht vertrok, maar er kwam geen klacht over zijn lippen.
Het leven in de bergen moet sterk, agressief en gewelddadig zijn. Als je dat bent leef je, anders besta je niet. Er zit wel een zekere logica in dat instinct. Weet dat als je ziek bent, je je isoleert, en als je klaagt, schaamt iedereen zich voor je. Dat is de filosofie van de bergen
  Ze braadden het vlees meteen na de slacht, wachtten niet tot het week werd. Het was als gummie, veel te hard. Ze waren alle in hun jeugd herder geweest, ze genoten zichtbaar, gingen achter elk weglopend dier aan. Dan werd er gemolken en kaas gemaakt. Die was mijn redding, mijn maag kon het geitenvlees niet verdragen.                           .   Het kamp leek wel een abattoir, ze lieten alle organen zo liggen. Dat trok miljoenen vliegen aan. Gelukkig werden ze verdreven door een stortregen. Maar er was weinig ruimte om te schuilen, een paar rots spleten, er was weinig plaats onze voeten staken naar buiten. De PKK hadden regenmantels als ‘tent’.
  Na enkele uren in de regen begonnen de geiten klaaglijk te mekkeren. Wij waren lotgenoten, beiden door de PKK ontvoerd. Zij protesteerden duidelijk, poepten als we ze trachtten weg te jagen. ‘Onze vrienden maken een vuur, kom er bij als je wilt. Je spullen kunnen in de rotsspleet blijven’. Ik heb nooit zo’n groot vuur gezien. Ze sleepten boomstronken aan. De regen kon het niet uitdoven. Van voren droogden wij, van achteren werden we nat. Er waren wel 40 mannen bij, maar de vrouwen hielden zich op afstand. Opeens klonk er muziek. Koerdisch lied, maar het was niet aan te horen. Hoe vaak hadden ze dit bandje al afgespeeld?
   Hoeveel verdien je? Ik antwoordde: 50 miljoen, maar daar kan ik nauwelijks van rondkomen’. Ze waren stomverbaasd; Ze hadden wel over inflatie gehoord, maar zulke astronomische getallen gingen hun bevatting te boven. ‘Ben je ook in het leger geweest? ‘Ja’ ‘Je hebt de Turkse Staat 2 jaar gediend, nu moet je het Koerdische volk helpen. Wat gebeurde er met het Koerdische volk in die twee jaar?  Na die 2 jaar laten wij je vrij’.  De volgende ochtend werd ik om 4 uur wakker. De regen was opgehouden. Ik zat van top tot teen onder de modder. Het kon me niet schelen, ik was er aan gewend.
Sinds het ontvoeren van de kudde was de sfeer in Gabar gespannen. De nachten waren tenminste heel onrustig. We hoorden vaak mortiergranaten, nu hier dan daar. ‘Als je een fluitend geluid hoort, moet je je op de grond laten vallen. Dan kan een mortiergranaat je niet raken’.   Juist toen zij ons wilden vrijlaten begonnen er mortier granaten te vallen. Zij namen ons mee naar het binnenland van Gabar. Na 4 uur snel lopen kwamen we op een plek die de PKK 2 jaar geleden als kamp was gebruikt, maar die tijdens een grote operatie van het leger was ‘ontcijferd’. Het leek wel een grote vuilnishoop, honderden lege blikjes. ‘Zijn die allemaal van jullie?’  vroegen we. Ja, dat was de goede tijd, toen we ‘als de Turkse Staat’ waren. ‘Hoe is dat zo veranderd?’   ‘Door de dorpsontruimingen’.
 Die dorpen waren zowel bron van voedsel als van ondersteuning geweest. Meel, bulgur, suiker enz moest van ver worden aangevoerd zij werden niet ter plaatse geproduceerd. De ontruimingspolitiek was 2 jaar geleden uitgevoerd, volgens de kille, militaire filosofie: Als je de vis wilt vangen moet je de hele vijver leegpompen’. Mensen die in gebied generaties hadden geleefd werden van hun land afgegooid. Ik heb in die 26 dagen maar 3 mensen gezien, allen herders . . .. Wij zagen geen mensen op het land werken, geen schoolgaande kinderen. Alle 25 dorpen die wij zagen waren verlaten. Sommige huizen waren ingestort, maar soms nog intact, overhaast verlaten. Een dorpje dat Yarimca heette, was een klein paradijsje verstopt achter in een vallei: Vol vruchtbomen, overal heldere beekjes. De huizen waren vernield, maar kennelijk overhaast verlaten: overal nog lege pannen. Er waren 1000 dorpelingen geweest, en zelfs een dorpswachter, maar ook zijn huis was niet gespaard.
Een ander dorp was Karagecit. Ook het grote politiebureau was vernield. Dit was vroeger een Armeens dorp geweest en heette Sipivyan. Het was tijdens de genocide van 1925 ontruimd en later door Koerden ingenomen. Die hadden vrijwillig dorpswachters aangesteld, en waren daarom doelwit van de PKK geworden. De bewoners waren gevlucht, maar later teruggekomen, hadden hun huizen in brand gestoken en de vruchtbomen meegenomen

Kalker ging elke dag voor zonsondergang naar de top om met andere PKK groepen te overleggen. Hij nam mij eenmaal mee om de verlaten dorpen te tonen.  Het was een fantastisch uitzicht. In de diepte kronkelde het dal van de Tigris. Daarachter besneeuwde toppen. De grond was vol lege blikjes: Pepsi, Fanta etc. In 1994 had hier een grote legeroperatie plaatsgevonden met 45.000 soldaten. Toen waren alle dorpen ontruimd. Tevoren was hier een netwerk van tienduizenden sympathisanten. Die namen deel aan operaties, verstopten daarna hun wapens en werden weer gewone dorpelingen. Nu waren die mensen in Mersin, Diyarbakir en Izmir. Hier waren alleen vijanden gebleven: soldaten en dorpswachters.
Wij dwaalden al dagen heen en weer: ‘Waarom?’. ‘Zie je die lichtjes? Die zijn van militairen en dorpswachters, Er dichtbij komen is erg gevaarlijk. Op de eerste dag in Gabar was er net een gevecht geweest. De strijders kwamen uitgeput terug. Een van hen, een jongen van een jaar of 15, nog geen baard, kwam naar ons toe. Ze maakten plaats bij het vuur. ‘Vertel eens vroeg Mazlum schertsend, hoeveel soldaten heb je gedood?’ ‘Ik weet het niet, we keken naar hun stelling, er waren bebloede doeken’ zei hij met zachte stem. Hoeveel patronen verschoot je?’ ‘Ik denk 200’. ’Dan moet je minstens 10  soldaten gedood hebben’.
’Hoe oud ben je?’ vroeg ik. ‘Achttien’.‘Ik had je veel jonger geschat’. ‘Nee, zei hij glimlachend, maar ik ben geen jongen, ik ben een meisje’. Ik schrok, schaamde mij, ieder weet hoe erg dat is. maar niemand nam er aanstoot aan. Ik keek nog eens, zij gedroeg zich als een man. Haar naam was Botan.  Ze wilde kennelijk met ons praten en schakelde over op Turks.’Wij verzamelen ook oren’. Ik schrok en vroeg zonder nadenken: ‘Maar de partij heeft toch oren afsnijden verboden?’  Mazlum kwam tussenbeide: Het is slecht en verboden, maar het kan niet anders, wij zijn er toe gedwongen en de anderen doen het ook’. De drie lijken die wij op 31 maart gezien hadden kwamen bij mij op.  Een andere keer kwam een PKK naar mij toe en begon propaganda te maken. Hij sprak ook over de guerrilla bewapening.: ‘Een Kalashnikov, zes volle patroonhouders een handgranaat en een mes om oren af te snijden’.  Hij gruwde toen hij het zei en ik ook. Ik wilde het onderwerp beëindigen. Turkse soldaten sneden van gesneuveld PKK ook de oren af, niet om weg te gooien, maar om mee te nemen.
Botan was het eerste meisje waar ik mee sprak. Ik stelde mij haar voor, het oor van een lijk snijdend. Geweld is typisch voor mannen, past niet bij een vrouw. Botan was hoogstens enkele jaren in de bergen. Symbolisch is de Arabische doek. Botan had een mannen-doek om haar schouders, anders dan de rest van de vrouwen.
Die noemden ze ‘dames-vrienden’ en voegden er ‘hevala’’ aan toe. Dat is het vrouwelijk voor heval, vriend. Zij waren alle zeer jong, zelden boven de 20. Dat ‘dames’ schept afstand, voorkomt vertrouwelijkheid. De relatie was in één woord: afstand. Er was een muur tussen de geslachten. Zij bemoeiden zich alleen bij noodzaak met de mannen, behalve bij ‘werk’ (bv koken) en ‘acties’. Hun stemmen  waren zacht. Maar verder niets, geen oogcontact. Sexualiteit is in de bergen verboden, liefde een grote zonde. Daarop staat een zware straf: de dood. Hoe ik dat weet? Ik heb dat niet gevraagd, maar je voelt dat. Zulke vragen zijn moeilijk, eigenlijk kun je dat niet vragen.                                                                                                      .  Dat liefde verboden is, heeft ook een logica. In een omgeving waar ieder bereid moet zijn, elk moment te sterven, zou liefde een verzwakkend, ja defaitistisch effect hebben. De keren dat ik in de bergen met een vrouw sprak, zijn schaars. Wij zijn mannen en zitten aan de andere kant van die onzichtbare muur. Wij begonnen nooit een gesprek, hoewel ik erg nieuwsgierig was te weten, wat het is om in de bergen een vrouw te zijn.
Er was maar één, die zich vriendschappelijk gedroeg. Ze was erg jong, 18 jaar of zo. Ik weet haar naam niet, dat vroeg je niet en zei je niet. Als ze ons zag, groette ze altijd, vroeg hoe we ons voelden en of we al wat gewend waren. Eenmaal nodigde zij ons uit. Ze spreidde een  laken op de grond uit. Dat deden mannen nooit. Ze trachtte ons gerust te stellen: ‘Maak je geen zorgen, binnen een maand wordt je vrijgelaten’.
De oudste van de groep was de commandante: Ze zal 25 geweest en heette Berivan. Een moeilijk leven had sporen op haar gezicht gelaten. Ook met de commandanten  had zij weinig contact. Terwijl Kalker met de andere mannen geregeld overlegde, ging hij alleen naar Berivan als er iets te bespreken was. Dan bleef hij staan en keerde meteen weer terug.
Het meest onbevangen vrouw was Rojbin. Zij had een mooi, bleek ovaal gezicht, pikzwart haar en heldere donkere ogen. Zij was zeker van zichzelf, en ging vaak met Kalker en Mazlum in discussie.  Mazlum was over de vrouwelijke kameraden niet erg tevreden. ‘Zij zijn niet gedisciplineerd, erg emotioneel’. Eens riep hij een van hen bij zich. Het was een mooi, blond meisje.  Ze bleef 3 meter van hem staan. Mazlum was om een of andere reden boos, en begon haar te kleineren. sÁvonds hoorden wij van hem, dat zij in een hoekje had zitten huilen. De  reden was dat zij geen wapen droeg. Dit was het enige onaangename incident.
Bijna alle vrouwen bij de PKK waren dorpelingen. Zij hadden geen kans een modern leven zoals in de stad te leven. Waarschijnlijk waren zij zeer jong uitgehuwelijkt en hadden al een paar kinderen gebaard. Toen een van hen sterk rookte, zei Mazlum voor de grap; ‘Als je zo door gaat, zal ik roken aan vrouwen verbieden’. Zij antwoordde: ‘Vriend Mazlum, zijn wij soms niet vrij?’.  Sigaretten waren alleen een symbool van de vrijheid. Voor dorpsmeisjes was het ‘naar de bergen gaan’ niet alleen een breuk met de traditie, maar ook een radicale verandering van het ‘vrouw zijn’.
Het was de 20ste dag van onze tocht. Een rond getal, zouden zij ons vrij laten? Ik rekende er op, maar Mazlum zei: ‘Hoe weten wij of het doel bereikt is? De Partij beslist. Ik zou het wel willen, want als het leger een operatie onderneemt, moet ik minstens 10 man inzetten om jullie te beschermen’.  Hij begon te vertellen: ‘Er is een streek die Bestler heet, 4 dag lopen hiervandaan. De leiders van de PKK wilden dat wij daarheen gingen, maar we zeiden dat je zo’n lange reis niet aan kon.  Toen hebben ze een hooggeplaatste PKK naar ons toegezonden, die wachten wij af’.

We hoorden vaak mortiergranaten, nu hier dan daar. Misschien wilden ze de PKK bang maken, maar die zeiden: ‘Zij zijn juist bang’ De hele dag riepen ze door de telefoon: ‘Geef je over’. Ze antwoorden niet, of spotten. Na het eten zei de commandant: ‘Hier hebben zich onmenselijke dingen afgespeeld, daar moet je na terugkomst over schrijven’. Tien dagen geleden werden 4 vrienden omsingeld en na een hele dag vechten gedood. Met chemische wapens, anders kon het niet. De lijken van de gedode vrienden waren door de soldaten in stukken gehakt, hun gezichten geschonden. Diezelfde dag hadden de soldaten 10 dorpelingen met kogels doorzeefd omdat zij de PKK zouden hebben geholpen. Ook hadden ze een oude man gearresteerd en een dag lang geslagen met de vraag: Waarom liep je hier rond. Door de klappen was zijn hoofd in de war en had hij zich opgehangen.

De volgende dag kwam Kocer naar ons toe, hij bracht een goed bericht: ‘In een of twee dagen zullen we je vrij laten’ maar eerst wilde hij wat verklaringen hebben. Hoe zij zich tegen ons hadden gedragen, hoe wij dat hadden ervaren en of onze mening over de PKK was veranderd en hoe de intermenselijke verhouding was geweest. Dat alles wilden zij schriftelijk zien. Anders geven we je een bandje.

Ik trok me met Fatih terug in een hoekje. De eerste vraag: hoe hebben wij ons gedragen? was geen probleem. Maar ‘is uw mening over de PKK veranderd?’ was moeilijker, want daarna kwam: ‘In welke zin?’. Ik schreef: ‘In de tijd, dat het socialisme in de wereld afneemt, is het Koerdische socialisme een interessante ontwikkeling’. De volgende vraag was: ‘Hebt U kritiek op de eenzijdige wijze waarop de Turkse pers bericht?’. Ik zei dat de pers in de berichten over het Zuid-Oosten moest trachten evenwichtig nieuws te brengen.                De volgende vraag was hoe onze contacten met de eenheden in de bergen waren. Ik zei dat we wederzijds respect en kameraadschap hadden ondervonden. Maar ‘aanpassen’ was onder deze omstandigheden noodzaak, anders hield je het geen week uit.                          .   Het gesprek duurde meer dan een uur. We namen het zeer serieus: Als wij hen onwelgevallige dingen zouden zeggen, zou dat onze vrijlating kunnen bemoeilijken. Anderzijds moesten wij wel evenwichtig en geloofwaardig overkomen.
De volgende morgen half 9 was de hele groep bijeen. De commandant gaf ons onze spullen. Eerst hield hij een korte toespraak in het Koerdisch. Daarna keerden zij  allen naar ons en applaudisseerden. Daarna drukten ze ons een voor een de hand. Een half uur later nam Kalker afscheid van zijn vrienden. Daarna drukte hij ook ons de hand. ‘Vergeet ons niet’, zei hij. Toen ging hij weg zonder om te zien en verdween tussen de rotsen.
Daarna begonnen we af te dalen. Er ging een jongeman met ons mee. Hij was ongewapend en gewoon gekleed. Hij kwam uit Siirt en was net als wij door de PKK ontvoerd. Zijn oom was dorpswachter en om hem te dwingen dat te stoppen hadden zij hem drie maand geleden als gijzelaar genomen. Of zijn oom gestopt was, weten wij niet.
Wij zouden in Zuidelijke, richting Siirt moeten lopen. Dan moesten wij nog een dag lopen en daarna een lift nemen, in het genoemde dorpje telefoneren en een bus naar Istanbul nemen. ‘Heb je geld voor de bus?’. ‘Ja’.
Op de grote weg gekomen hielden wij een tractor aan, die ons meenam. ‘Waar kunnen we telefoneren?’  Bij Osman Aga. Dat was het hoofd van de dorpswachters. Vandaar telefoneerden we naar huis. De maand daarop begon ik in Seferihisar bij Izmir ‘Dagdakiler te schrijven.        
 
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu