Politiek woordenboek - EDM-2013

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Politiek woordenboek

Maatschappij

Als je over politieke toestanden spreekt, kun je er niet om heen, algemene begrippen te gebruiken zoals conservatief, links, polarisatie enz., hoewel die termen slecht gedefinieerd zijn en ook met de tijd van betekenis kunnen veranderen. Dat is een bezwaar voor hen die van duidelijkheid houden, maar anderen gebruiken ze juist graag om te misleiden. Volgens cynici is het zelfs een kenmerk van de politiek. ‘Political language is designed to make lies seem truthful …..” schreef Orwell. Maar ik wil mij scharen bij hen die helderheid nastreven, en die zijn er gelukkig ook nog bij politici.

Links-rechts
is ontstaan in de 19 eeuw en had betrekking op de plaats waar partijen in de Kamer zaten: Links de liberalen, rechts de religieuze partijen. Die laatsten wilden, grof gezegd, de bestaande maatschappelijke orde, die immers door God gewild was, handhaven, terwijl de liberalen* die wilden veranderen. Ik zou links en rechts nu willen definiëren als uitgaande van gelijkheid resp. ongelijkheid van de mensen. In de historie zijn bewegingen aan te wijzen, die men achteraf ‘links’ zou kunnen noemen, zoals de Franse Revolutie (égalité).
We kunnen veel soorten rechts-links tegenstellingen onderscheiden:
a) sociaal-economisch, b) religieus, c) ‘law-and order’, mensenrechten
d) nationalistisch, vaak samen met e) militaristisch, en misschien nog wel meer.
Rechts
                                    Links
Vrije markt –                         -    Staatscontrole
Orthodox –                           -    Vrijzinnig, humanistisch
Strenge straffen -                  -    Nadruk op achtergrond van de misdaad
Nationalisme, apartheid       
 -    Wereldburger, cosmopolitisch
Sterk leger, heldendom          -    Pacifistisch
De meeste daarvan (behalve misschien de religieuze) hebben wel te maken met de bovengenoemde al-of-niet-gelijkheid van mensen. Toch zijn de politieke partijen niet op al die terreinen in het schema in te delen. Links omvat meer dan socialistisch: Ik zou er ook het ‘alles moet kunnen’ idee, flower-power, anti- autoritair (WUB-wet, loterij voor studie) de antiwetenschap, in zijn extreme vorm: anarchisme, onder willen brengen.
  
Extreem
. Nog gecompliceerder wordt het als de term ‘extreem’ er aan wordt toegevoegd. Dat is een waarde oordeel. Liever zou ik van ‘uiterst’ willen spreken, en daarnaast ‘extremisme’ willen gebruiken voor die ondemocratische bewegingen, die hun doelen met geweld willen bereiken en handhaven. Zij hebben graag een vijand. Er is een groot verschil tussen ‘fatsoenlijke’ linkse en rechtse denkers-politici en hun extreme geestverwanten. Die extremisten huldigen vaak het leiders principe (Big Brother), wat vooral bij de linkse extremisten vreemd is, want in tegenspraak met het gelijkheids ideaal. Rechts extremisme is altijd xenofoob en in de historie antisemitisch. (Dreyfuss-affaire, 1895). Maar het Sovjet communisme (door de Jood Trotski mede opgericht) werd later antisemitisch (zuiveringen van Joodse leiders in Sovjet-satelliet staten!).

Progressief---conservatief
werd vaak met links-rechts vereenzelvigd.  Progressief stond voor verandering, die uiteraard altijd verbetering moest zijn. Vooruitgang dus, want onder invloed van de Verlichting ontstond het idee van de ’maakbare samenleving’. Rechts behield liever het goede en wantrouwde veranderingen. Maar nu niet meer: in de jaren 70 was opbouw van de verzorgingsstaat progressief, nu is het progressief om die weer af te breken.

 Revolutie
.  Betekent: plotselinge - gewelddadige– verandering. Kan zowel naar links als naar rechts zijn. Sinds de Franse revolutie vooral het linkse schrikbeeld, vandaar de ‘antirevolutionaire’ partij. John Gray noemt het uiterst rechtse ‘neoconservatisme’ van Bush net zo revolutionair als het Lenin-marxisme.

Vrijheid.
Niemand durft daar tegen te zijn, maar de vraag is: vrijheid waarvan?  De vrijheid van de één kan soms die van de ander beperken. In de eerste plaats vrijheid van dictatuur, gewetensvrijheid.
Voor de partij, die vrijheid in haar naam heeft (VVD) betekent het vooral: Economische vrijheid, vrije markt, kapitalisme. Wat die andere partij (PVV) er onder verstaat, is mij niet duidelijk.
 Absolute vrijheid (van het individu) van regels, conventies, wetten en godsdienst is wellicht extreem links te noemen: anarchisme. Een kleine opleving beleefde dit idee in de tijd van Flower-power, kabouters e.d. Geen enkele serieuze partij staat nog voor dit soort ongebondenheid: ‘De ware vrijheid luistert naar de wetten’(Perk).

 Liberaal
. Dit woord (liber = vrij) heeft alles met vrijheid te maken– de VVD heette vroeger ook zo. Voor de meesten heeft het een positieve klank: ruimdenkend, tolerant, niet dogmatisch. Het was historisch ‘links’. Maar wellicht juist daardoor wordt ‘liberal’ in Amerika in uitgesproken negatieve zin gebruikt om intellectuele ‘softies’ aan te duiden die het gevaar van socialistische ideeën niet (willen) zien.

Libertijns
. Dit is een term die vooral door christenen negatief gebruikt wordt om de ‘alles moet kunnen’- mentaliteit van a-religieuze, zich progressief noemende stromingen aan te duiden: vrije seks, abortus, euthanasie homosexualiteit enz.
 
 Kapitalisme:
Een economisch systeem, waarbij productiemiddelen in handen zijn van particulieren, gericht op winst maken. Prijzen, productie en distributie  van goederen wordt bepaald door concurrentie en vrije markt. De overheid dient er zich zo weinig mogelijk mee te bemoeien. De door Reagan en Thatcher bewonderde voorvechter van het moderne kapitalisme Milton Friedman schreef: ‘Niets kan de grondslagen van onze vrije maatschappij meer ondermijnen dan dat leiders van ondernemingen (corporate officials) enige andere verantwoordelijkheid accepteren dan zoveel geld als mogelijk is te doen toekomen aan hun aandeelhouders’.

Nationaal Socialisme
(Nazisme) had wel degelijk ook socialistische -dus linkse- aspecten (zie van Doorn: ‘Duits socialisme’). Zij was echter zo vaag, dat er van de ’nazi-ideologie’ nu niet meer gesproken wordt.

 Fascisme
(extreem rechts) is daarentegen een duidelijker ideologie: Een in Italië ontstane beweging (de ‘fasces’ refereerden aan het teken van gezag in het Romeinse rijk), sterk nationalistisch, anti—liberaal, --communistisch, –democratisch. Het één-partij- stelsel met sterke Leider.  Het stond een Corporatieve staat voor: geen horizontale (klassen) maar verticale indeling van de maatschappij. Dit systeem werd (met variaties) in tal van Europese landen tussen de wereldoorlogen omhelsd (zie Mazower: ‘The dark Continent’). Die hadden bijna steeds sterke banden met de RK kerk. Hoewel vaak met het Nazisme vereenzelvigd, was het anders en niet antisemitisch. Tegenwoordig alleen als scheldwoord gebruikt voor extreem-rechtse bewegingen, die – al hebben zij er gelijkenis mee - dit woord voor zichzelf niet willen gebruiken. ‘Cultuurfilosoof’ R.Riemen schreef er een(weinig verhelderend) boekje over: Hij kan het niet definiëren omdat er vlg hem geen idee achter zit, maar noemt het een techniek, de politisering van de rancuneuze massamens, die geen geestelijke waarden erkent.
Deze benadering blijft vaag. Hetzelfde geldt voor: anti-fascisme.

 Polarisatie.
Dit betekent: verder uiteenlopen van bestaande tegenstellingen, vaak gepaard met onderlinge haat, waardoor overeenstemming en compromis moeilijk of onmogelijk worden. Dit kan het hele politieke spectrum betreffen, of alleen een onderdeel. Op dit moment vindt in de wereld het eerste plaats: polarisatie tussen ‘culturen’, die van de islam  (die ten onrechte met een tribale, ‘Oosterse’ cultuur wordt vereenzelvigd) en de ‘Westerse, Joods-christelijke’ wereld. Voorstanders van deze polarisatie bevinden zich vooral, maar niet alleen, in het ‘rechtse’ kamp.
  Ideologie (Ideeënleer)
. In de praktijk wordt vooral een filosofisch stelsel met betrekking tot de  maatschappij bedoeld, vaak met negatieve connotatie.
Wellicht de beste definitie is: ‘Een gesloten stelsel van a-prioristische (dus niet-discutabele) opvattingen, dat pretendeert de essentiële vragen betreffende mens en maatschappij op  te lossen’. In die zin is iedere godsdienst ook ideologie, zeker als zij zich (al of niet via dito partij) met politiek bemoeit.

  Polulisme.
Dit is nu een politieke methode, om steun te verkrijgen van het volk (populus) We kunnen 2 soorten populisme onderscheiden:
a)
Partijen die als geheel populistisch zijn. Zij doen een beroep op irrationele gevoelens van machteloosheid en angst: al dan niet terechte frustraties over vermeend onrecht en wanbeleid van ‘de elite’. Als ‘oplossing’ wordt een directe band met een Leider aangeboden, die zonder tussenkomst van partijbureaucratie en niet belemmerd door moeilijke beginselen, een kortsluiting biedt. Vaak samen met wij-zij denken en angst voor een vijand die, liefst door complotten, de samenleving bedreigt.
b)
In de ‘gewone’ politiek kunnen politici zich incidenteel populistisch gedragen door, in afwijking van hun beginselen, mensen ‘naar de mond te praten’ en maatregelen te steunen waarvan zij vermoeden dat ‘het volk’ die graag wenst. Recent wordt ‘populisme’, soms onterecht, als scheldwoord gebruikt..
Rompuy
: ‘Het tegenovergestelde van populisme is politieke moed’.
 Demagogie, is nauw met populisme verbonden: Het volk (mis)leiden, uitsluitend in ongunstige zin. Het woord wordt tegenwoordig niet veel meer gebruikt, maar het begrip wordt door veel politici min of meer bewust toegepast om met leugens, of vaker nog met halve waarheden, het eigen standpunt te versterken. Zie Orwell.

 Democratie
. De macht aan het volk. Het Griekse woord ‘demos’ geeft kennelijk een positiever gevoel dan het Latijnse ‘populus’. Maar hoe het volk die macht moet uitoefenen is minder evident. De eerste democratieën waren deels oligocratiën van de ‘hogere’ klasse. In Nederland hadden alleen lieden met een minimum bezit stemrecht. En in de ‘Volksdemocratieën’ van de vorige eeuw was ‘het volk’ een abstractie, vertegenwoordigd door één partij.

Maar laten we het maar beperken tot:
Parlementaire’ democratie
. Daarin kiest het volk vertegenwoordigers, die tijd en inzicht hebben voor de ingewikkelde problemen van de moderne maatschappij.   Over de ‘invulling’ van het begrip bestaan verschillende opvattingen:
Districten stelsel?
 ‘Directe’ democratie, het kroonjuweel van D66:  het volk is best in staat over bepaalde zaken zelf te oordelen. Verdere punten: Moet er een kiesdrempel zijn? Partijdiscipline is praktisch nuttig, maar beperkt de vrijheid en het geweten van vertegenwoordigers. Niet iedereen vindt, dat dit systeem ook met minderheden rekening moet houden en denkt met één stem meerderheid de anderen te mogen negeren (‘meerderheids-strategie’).   

Evert Mees, oktober 2010

 
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu