Kleine geschiedenis van de grote oorlog - EDM-2013

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Kleine geschiedenis van de grote oorlog

Geschiedenis

(Koen Koch)
Hoeveel er ook is geschreven over de 1ste wereldoorlog, dit uiterst beknopte maar toch diep-gravende overzicht geeft een analyse van het begrip ´oorlog´ die juist voor deze tijd leerzaam is. Hij stelt de intrigerende vraag, of wij hetzelfde zouden doen. Al geeft hij niet direct antwoord, zijn conclusie dat politici niet van het verleden wensen te leren, geeft weinig hoop.  

 ‘WO-1’ stond aan het begin van de bloedigste eeuw die de mensheid ooit gekend heeft. Het was de eeuw van de Totale oorlog, die het onbedoelde gevolg was van de democratische en industriële revolutie. Zij staat haaks op het idee van von Clausewitz,
dat oorlog een (beperkt) politiek doel moet hebben. Het enige doel is nu vernietiging van de vijandelijke samenleving. De eerste W.O. kostte 9,4 miljoen soldaten en 4 miljoen burgers het leven. Duizenden burgers in België, Frankrijk, Servië en Galicië en 1 miljoen Armeniërs werden slachtoffer van terreurdaden om het verzet te breken.  In Servië overleefde 60 % van de mannen tussen 15 en 55 jaar de oorlog niet.

  Dit was de opmaat voor de 2de W.O. waarin evenveel burgers als militairen omkwamen: massale bombardementen op woonwijken, atoombom, holocaust. De uitzichtloze massaslachtingen in de hoop op een ‘totale overwinning’ werden (altijd weer) gerechtvaardigd omdat anders ‘de tevoren gebrachte offers voor niets zouden zijn geweest’.
  WO-1 markeerde ook het einde van het 19de eeuwse optimisme van verlichting en vooruitgang en veroorzaakte veel meer nog dan de 2de WO een fundamentele cesuur in de Europese geschiedenis. Zij die de gruwelen van de oorlog hadden meegemaakt, hadden ondervonden dat massamoord,  marteling en deportatie normaal menselijk gedrag vormde, dat de regering van haar burgers eiste en zelfs beloonde. Dat betekende ook algehele brutalisering van de politiek.

  In het 22-jarige interbellum zorgden de verdragen van Versailles en Sèvres
voor eindeloze conflicten, niet voor een wereld ‘safe for democracy’(Wilson). ‘Een giftiger beginsel dan ‘nationale zelfbeschikking’  is niet denkbaar’, schrijft Koch. Zestig miljoen mensen kregen een eigen staat, maar 25 miljoen kwamen aan de verkeerde kant terecht. De ontkenning van etnische, religieuze en taalkundige diversiteit die het Habsburgse en Osmaanse rijk kenmerkten, leidde tot etnisch zuiveringen en deportaties ('uitzettingen').
 
  Koch
beschrijft op overzichtelijke wijze de eindeloze slachtingen. Die konden haast niet tot een overwinning leiden door de techniek van de stelling oorlog. De aanvallen konden slagen door een intensief artillerie bombardement (vuurwals) waardoor de verdediging verlamd werd. Maar nadat de infanterie een tiental kilometers was opgerukt, konden de zware kanonnen niet snel door het omgeploegde terrein volgen. Niet de mitrailleurs, maar die helse artillerie maakte de meeste (70%) slachtoffers. Het is werkelijk onvoorstelbaar: meer dan een miljoen granaten werden op een klein terrein gedurende enkele uren afgevuurd.

 Maar de verdienste van dit boek is het huiveringwekkende verslag van de besluitvorming op het hoogste (politieke en militaire) niveau. In de eerste plaats het begin, naar aanleiding van de moord op de Oostenrijkse troonopvolger. Die was niet een georganiseerde samenzwering, maar wel een uiting van woede over de Habsburgse weigering om politieke en sociale hervormingen door te voeren.
 Eigenlijk wilde de meeste staatslieden geen oorlog. Maar hoe ingewikkelder de situatie, hoe aantrekkelijker het voor sommigen is, om door agressieve politiek (oorlog dus) ‘eens en voor altijd helderheid’ te scheppen. Zo bleek een enkeling genoeg om de lawine te ontketenen. Het was vooral de Oostenrijkse opper- bevelhebber Conrad von Hötzendorf, die al langer ‘preventieve’ oorlog tegen Servië bepleitte. Hij was zich er wel van bewust, dat een grote oorlog het einde van het Habsburgse imperium zou betekenen, maar had een romantisch- heroïsch idee dat het noodlot zijn gang moest hebben.

Ook de Duitse generaal von Moltke had de keizer laten weten dat ‘een oorlog ons volk volkomen zou uitputten, zelfs als we die zouden winnen’. Maar de wispelturige Wilhelm 2de die in 1890 de bedachtzame Bismarck aan kant had gezet, was ‘avontuurlijker’. Toch dacht de Duitse premier von Bethman Hollweg, dat dreigen met oorlog een goed diplomatiek middel was, op grond van de hoogmoedige gedachte dat men met ‘gecalculeerd risico’ alle factoren in de hand kan houden. Sir Edward Grey, de Brits minister van BZ vond wel dat zijn land moreel verplicht was de Duitse agressie te weerstaan, maar zou daarna gezegd hebben: ‘The lamps are going out all over Europe’.

   Koch relativeert het bekende verhaal van het geweldige vaderlandslievende enthousiasme waarmee de bevolking, vooral in Duitsland, maar ook in Engeland, de oorlog begroette. Toch is het een feit, dat bv de socialisten aan beide kanten zich lieten meeslepen.  De Franse socialist Jaures werd, nadat hij een emotionele toespraak bij een vredesdemonstratie had gehouden, twee dagen voor de oorlog uitbrak door een nationalist vermoord. Veelzeggend is, dat nergens melding wordt gemaakt van enig protest van religieuze autoriteiten. Beide (christelijke) partijen wisten God aan hun zijde. Een van de vele citaten uit die tijd (door R.Brooke, de ‘golden boy’ van zijn generatie Engelse dichters): ‘Laten wij nu God danken, dat Hij ons in dit uur heeft laten leven’. W.Lewis beleed zijn ‘geloof in de bevrijdende kracht van geweld en vernietiging’.
   Zoals gebruikelijk motiveerde de Duitse regering de inval in Luxemburg en België met de leugen, dat Franse troepen er waren binnengevallen. Sindsdien duren wederzijdse beschuldigingen door politici en historici over de ‘schuldvraag’ voort. Na afloop van de oorlog was er al spoedig consensus, dat in de aanloop beide partijen schuld hadden. Lloyd George betoogde, dat eigenlijk geen enkele partij verantwoordelijk was: men was de oorlog ‘ingestruikeld’ (ingerommeld)). Deze onzinnige, maar bij politici populaire theorie is later ontwikkeld tot het concept van ‘structurele’ oorzaken. De omstandigheden zouden hen geen andere keuze hebben gelaten. Er zijn vier variaties voorgesteld, die Koch een voor een onderuit haalt:

1-
Het bestaan van bondgenootschappen, die politici geen andere keuzes zouden laten. Bondgenootschappen waren er inderdaad, maar dat zij zo bindend waren dat men elkaar blindelings moest steunen, is gewoon onjuist. De cruciale beslissingen werden op grond van andere overwegingen dan verdrags- verplichtingen genomen.
2-
Bewapeningswedloop en militarisme zouden automatisch tot oorlog leiden.  Maar het land dat de crisis op de spits dreef: Oostenrijk-Hongarije, had zijn leger en bewapening verwaarloosd. Frankrijk was juist het meest ‘gemilitariseerde’ land, maar tijdens de crisis het meest terughoudend. Landen, die dreigden de bewapeningswedloop te verliezen (m.n. Duitsland), zouden  onder het motto: ‘beter laat dan nooit’ een preventieve oorlog hebben gewild.
3-
Nationalisme .Er waren zeker in beide kampen extremistische bewegingen die gebiedsuitbreiding voorstonden. Zij waren wel luidruchtig, maar waren niet vertegenwoordigd in het –meestal behoudende establishment.
4-
Imperialisme o.a. door Lenin (die het als hoogste stadium van kapitalisme beschouwde) structurele oorzaak genoemd. Er waren wel conflicten tijdens de expansiedrang geweest (bv tussen Engeland met Frankrijk in Afrika en met Rusland in Azie) maar die waren al vóór 1914 opgelost. Er waren ook in Duitsland geen langtermijn plannen om de wereldmacht te grijpen.

  Volgens Koch waren het (behalve de pijnlijk grote rol van het toeval!) de beslissingen van de staatslieden. Zij lieten (en laten, E) zich niet alleen door rationaliteit, maar ook door persoonlijke angsten, ambities, emoties en fatalisme leiden. Zij droegen de schuld, 'doordat zij stap voor stap de oorlog dichterbij brachten, omdat zij de vrede niet langer wilden verdedigen'.

   Uitvoerig wordt beschreven, hoe in alle landen de bevolking werd misleid en opgezweept. Een daarvan was de illusie van de korte oorlog (waarin de meeste militaire experts niet geloofden). Een andere, dat een aanval altijd succes moet hebben als die maar met uiterste wilskracht wordt voortgezet.   Aan Duitse zijde werd door de opperste leiders terreur tegen de burger bevolking bevolen, die in België en Servië door het gewone leger werd uitgevoerd.

  Oostfront
. Vanaf het begin leed het Oostenrijkse leger aan het Oostfront nederlagen, zowel tegen Servië (!) als tegen Rusland. Een epidemie van vlektyphus eiste bijna 200.000 doden. De Duitse generaal von Mackensen moest te hulp komen en wist de Russen te verslaan. In Polen was ook de (latere nazi-) generaal Ludendorf actief en maakte plannen om de bevolking te vervangen door Duitsers.

  Van de vele fatale conflicten tussen leiders wil ik de slag om de Dardanellen noemen. Churchill had dit rampzalige plan niet alleen bedacht, maar was ook (mede) verantwoordelijk voor de miserabele voorbereiding. Eerst stuurde hij, tegen advies van de admiraals, een grote vloot de zeestraat in, die na verlies van 3 slagschepen en ernstige schade aan 3 andere smadelijk moest afdruipen. Toen toch maar een landing op het Gallipoli schiereiland, in de verwachting dat de Turken wel snel zouden capituleren. Na 8 maanden afschuwelijke stellingoorlog met ruim 10% doden van de 400.000 man Australiërs en Nieuw Zeelanders werd het ontruimd. Het kostte Churchill zijn ministerschap en legde de grondslag voor Atatürks Republiek.

 Het Westelijk front
was natuurlijk het belangrijkste. Uitvoerig worden de beslissingen en het gebrek aan coördinatie tussen de commandanten van beide zijden toegelicht. Aan Duitse zijde werd, na de Franse overwinning aan de Marne, de psychisch ingestorte von Moltke vervangen door von Falkenhayn. Falkenhayns orders aan zijn ondergeschikten waren vaag en tegenstrijdig.
Nadat deze laatste in 1916 was vervangen door het duo Ludendorf- Hindenburg, bepaalden die het militaire, en na het ontslag van kanselier Bethmann-Holweg ook het politieke beleid. De keizer had tenslotte niets meer in te brengen en Duitsland was een militaire dictatuur geworden.

 Aan geallieerde zijde
was het al niet veel beter. Het ergst was wellicht de Engelse opperbevelhebber Haig, die alle adviezen van zijn (front-) commandanten in de wind sloeg en  zijn soldaten bij tienduizend per dag de dood in joeg. Veel waardering krijgt de Franse generaal Petain, die een wat verstandiger (levens sparend) beleid introduceerde. De Franse kolonel Messimy (die in 1914 minister van oorlog was geweest) stuurde April 1917 een memorandum waarin hij schreef dat het hoofdkwartier kolossale vermogens had tot zelfbedrog, en dat het vóór het grote offensief de commandanten die de aanval zouden uitvoeren moest raadplegen,. Maar politici en generaals hielden elkaar in een suïcidale houdgreep. Het ‘Nivelle offensief’ ging door, met rampzalige gevolgen: de Fransen verloren 139.000 man. Ook Engelse generaals waren sterk in dit soort ‘experimenten van onbezonnenheid’.
 Steeds weer verbaast de hardnekkigheid, waarmee nieuwe (‘beslissende’) offensieven werden ondernomen ook toen het einde in zicht kwam. In het laatste jaar vielen meer doden dan in alle jaren daarvoor! Toch scheelde het niet veel of de Duitsers waren toen doorgebroken. De komst van verse Amerikaanse troepen gaf op den duur de doorslag. Enkele nieuwe ontdekkingen, zoals gifgas en tanks, hadden wellicht de beslissing kunnen forceren als de leiders van het eerste schokeffect gebruik hadden gemaakt. Navrant is het relaas van Dr Haber, de uitvinder en propagandist van gifgas (‘Im Frieden der Menschheit, im Krieg dem Vaterland’). Zijn protesterende  echtgenote pleegde zelfmoord, toen hij haar van landverraad beschuldigde.

  Sommige generaals erkenden, dat een doorbraak niet mogelijk was, en richtten de strategie niet meer op een strategisch doel, maar om de vijand te dwingen zijn ‘mensenreservoir sneller op te gebruiken dan jij-zelf’(!)
  De onbeperkte duikboot oorlog (Jan 1917) was een welbewuste escalatie, in een wanhopige poging een overwinning te forceren. Zij droeg bij aan Amerika’s deelname.  Maar Wilsons beslissing was ingegeven omdat hij inzag, anders geen rol te kunnen spelen in de vredesconferentie, waar hij hoopte de grondslagen voor een permanente vrede te leggen.

  Een half jaar voor het einde zagen verstandige leiders als prins Ruprecht van Beieren in dat verder gaan zinloos was, maar toen de minister van buitenlandse zaken Kühlman een compromis voorstelde, dwong Ludendorf, die alle contact met de werkelijkheid had verloren, hem tot ontslag. Een maand voor de wapenstilstand riep hij het leger op om in opstand te komen tegen de regering die onderhandelde.  Toen het pleit eigenlijk al beslist was, begon het geallieerde slotoffensief, dat nog talloze offers zou vergen.

Het boek eindigt met de regels van (de wat laat tot bezinning gekomen)
Rudyard Kipling:
If any question why we died, It was because our fathers lied.

 
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu