Jeder stirbt für sich allein - EDM-2013

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Jeder stirbt für sich allein

Boekbesprekingen

Deze roman van de (vóór de oorlog bekende) schrijver Hans Fallada is om meer dan één reden bijzonder. In de eerst plaats omdat het reeds een jaar na de val van Hitler-Duitsland geschreven is, toen veel van zijn gruwelijke manifestaties nog nauwelijks tot de wereld, en zeker niet tot de Duitsers waren doorgedrongen. Mede daarom trok het geen publieke aandacht, en werd het pas in 2010 herontdekt via een Engelse vertaling (!). Maar vooral omdat het de nazi-dictatuur ‘van binnen uit’ beschrijft, en daarbij een weinig opwekkend beeld schetst van de menselijke geest.

In zijn nawoord vertelt hij, dat hij van een vriend inzage had gekregen in een Gestapo dossier over het proces tegen een echtpaar, dat terechtgesteld was wegens het verspreiden van anti-Hitler geschriften. Dat verschafte hem de historische basis voor dit boek, waarin hij zijn opgekropte afschuw van het nazi-regime kwijt kon. Een half jaar later stierf hij, nog vóór het gepubliceerd werd.

Vanaf de eerste bladzij is het duidelijk, dat het op een catastrofe uit moest lopen. De eenvoudige arbeider Otto Quangel en zijn tweede vrouw Anna krijgen bericht, dat haar enige zoon ‘de heldendood voor Führer en Vaderland’ is gesneuveld. Hierna besluiten zij om door het verspreiden van briefkaarten hun medemensen van de misdadige waanzin van de oorlog te overtuigen. Niet uit politieke of religieuze overtuiging, maar gewoon omdat zij het niet pikken.

Zij vermoeden niet, dat een vinder van zo’n  kaart hem nauwelijks durft te lezen en onmiddellijk naar de politie brengt.
Maar behalve de twee hoofdfiguren trekken de lotgevallen van een groot aantal anderen in een detective-achtig, knap geschreven plot voorbij. Het zijn eenvoudige arbeiders, alcoholisten, kleine misdadigers. Zij hebben weinig of niets met het echtpaar Quangel te maken, maar worden meegesleurd in de maalstroom van de door eerzucht en sadisme gedreven politie, Gestapo en rechterlijke macht. Zo is er de verloofde van de gesneuvelde zoon. Zij laat zich ontvallen dat zij in een verzetsgroep zit. Als zij dat aan de glasharde fanatieke leider bekent, tracht die haar tot zelfmoord te dwingen. Zij kapt alle relaties met de groep en ook met haar schoonouders en begint een nieuw leven met haar geliefde. Maar toch wordt zij later gevangen en met haar echtgenoot door de Gestapo de dood in gedreven. Ook de postbode, die haar partijlidmaatschap opzegde toen zij hoorde dat haar zoon, die bij de SS in Polen zat, betrokken was bij het verkrachten en vermoorden van Joodse meisjes, komt om in de kerkers van de Gestapo.

We krijgen ook en kijkje in de geestesgesteldheid van de leden van de politie. Een commissaris, belast met het opsporen van ‘de kaartenschrijver’, wordt door zijn superieuren onder druk gezet en heeft een verdachte, die wel een boef is maar met de zaak niets te maken heeft, verleid om een schuldbekentenis te tekenen. Als die zaak dreigt uit te komen, drijft hij het boefje de dood in. Toch valt hij bij de Gestapo leiders in ongenade, wordt mishandeld en belandt zelf in een van zijn kerkers. Later wordt hij gerehabiliteerd en weet hij Otto Quangel te arresteren. Maar als hij door zijn dronken ‘Obergruppenführer’ gedwongen wordt mee te doen aan mishandeling van zijn slachtoffer, is hij zo onder de indruk van diens waardige houding, dat hij zelfmoord pleegt. Dit is dan een van de minder slechten.

 Er komen ook goede mensen voor in het verhaal, met name een gevangenis predikant. Maar met hen allen loopt het slecht af, alleen de laffen en schurken overleven. Dat is wel het hoofdthema van dit boek: niet de ‘ideologie’ van het systeem, maar het conformisme van de overgrote meerderheid, die er of van profiteerde of in elk geval de andere kant op keken.
Uitvoerig worden de toestanden in de gevangenissen en de verhoren beschreven. Tot nadenken stemt de volgende opmerking: ‘In deze verhoren was niemand zeker van zichzelf. De sluwe ondervragers konden uit iedere onschuldige opmerking een valstrik smeden waarin men reddeloos verloren was’. Men ging van het principe uit, dat iedereen wel iets op zijn kerfstok heeft, als je maar lang genoeg zoekt. Een broer van Anna, een simpele ziel die niets misdreven had, was na enkele dagen ‘bijzondere verhoormethoden’ bereid, alles wat men hem verweet toe te geven. Maar dat maakte het alleen maar erger. Want iedere bekentenis die niet bleek te kloppen maakte hem nog verdachter. Ook een mislukte zelfmoord poging werd als bewijs voor schuld aangerekend.

 Uitgebreid worden ook de zittingen van het ‘Volksgerechtshof’ beschreven. Terwijl de advocaat zich als een soort aanklager gedraagt, volstaan officier van justitie en rechter niet met het schuldbewijs, maar besteden veel tijd om de beklaagde te vernederen en hem/haar met – vaak seksuele - insinuaties als een moreel laag staand onmens neer te zetten. Als rechter voert de schrijver de president van het Volksgerechtshof Feisler ten tonele. Deze beruchte Nazi, die Freisler heette en 2500 doodvonnissen uitsprak, werd vooral bekend toen hij het proces tegen von Stauffenberg’s groep leidde. Hoewel de bijzonderheden gefingeerd zijn, is het duidelijk dat zij in grote lijnen de realiteit weergeven, die de gevoelige waarnemer Fallada tijdens zijn verblijf in Berlijn in vergelijkbare situaties heeft meegemaakt.

Misschien worden sommige scènes en dialogen iets te lang uitgesponnen. Misschien heeft de auteur sommige personen iets te veel van zijn eigen gedachten in de mond gelegd. Misschien vindt een moderne lezer iets te veel sentiment in dit boek.  Een Angelsaksische auteur zou het anders hebben geschreven. Maar het is een indrukwekkend getuigenis, dat ieder die in het eeuwige thema: ‘Goed en kwaad’, maar ook in politiemethoden geïnteresseerd
is, zou moeten lezen. Al was het maar om de schrijver te eren, die in November 1945 schreef dat hij een roman wilde maken ‘Over de toch aanwezige tegenstand tegen de Hitler-terreur, opdat hun strijd, lijden en dood niet totaal vergeefs is geweest”.
Evert Mees, Januari 2011

Naschrift.
In ‘Die Zeit’ las ik over Helmuth Graf von Moltke (een van de bekendste Pruisische officiersfamilies) die – uit christelijke overtuiging – een kleine verzetsgroep leidde en na een proces onder voorzitterschap van  Freisler werd opgehangen. De nu gepubliceerde brieven aan zijn vrouw geven een v
ergelijkbaar beeld van Hitlers gevangenissen.  

 
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu