Islam en christendom in Indonesië - EDM-2013

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Islam en christendom in Indonesië

Godsdienst

                              Feeling threatened.
             Muslim-Christian relations in Indonesia’s new order.
                           door Mujiburrahman (2006)    (Promotor Prof.Dr. Martin van Bruinessen)
                                          (Samenvatting)..
   De schrijver van dit proefschrift is een moslim, die na zijn theologische opleiding in Indonesië nog  2 jaar in Canada en 4 jaar in Nederland (ISIM) studeerde. Hij beschrijft hierin de ontwikkelingen tijdens Suharto’s  ‘Nieuwe Orde’ tussen 1966 en 1998.
   Inleiding.
   Indonesië heeft de grootste moslimbevolking ter wereld (177 miljoen, maar ook een zeer belangrijke Christelijke minderheid, die van 1971 tot 2000 verdubbelde tot 18 miljoen (8.92 %). Opmerkelijk is, dat hun aantal sneller groeit (2.4 % per jaar) dan dat van moslims (1.8 %) Christenen vormen de meerderheid in sommige provincies buiten Java.
  Historie.

  Islamisatie vond plaats in de 13de en 14de eeuw door kooplieden en predikers. In de 17de en 18de eeuw werd die geïntensiveerd toen Indonesische moslims Mekka bezochten en in Kairo studeerden. Onder invloed van de ‘fundamentalisten’ Abduh en Rida begon een organisatie, de Muhammadiyah, de islam te zuiveren van de locale bijgeloven. In 1926 werd de Nadatul Ulama opgericht, die toleranter is t.a.v. locale gebruiken. Deze beide (Orthodoxe) organisaties worden santri genoemd en de ‘vrijzinniger’ en nominale moslims die een syncretisme met locale geloven (adat) voorstaan abangan.  De santri staan een islamitische staat voor, de abangan een nationale, seculiere staat.   

'Christianisatie'.
In de 16de eeuw bekeerden Portugese missionarissen de bevolking van  N. Sulawesi tot het Rooms katholicisme. Vervolgens werden zij tot de reformatie ‘bekeerd’.  De VOC stond missionaire acties niet toe, omdat die zijn handelsbelangen zouden schaden. Pas toen de koloniale macht gevestigd was, stimuleerde en financierde het Nederlandse bestuur de zending en missies.
.  Sinds Indonesië’s onafhankelijkheid dringen Amerikaanse Evangelicals in toenemende mate door.  De christenen bouwden scholen, universiteiten, ziekenhuizen en weeshuizen, met als gevolg dat tot 1970 christenen beter waren opgeleid en daarom meer hogere posities innamen.

Pancasila.
Reeds bij de onafhankelijkheidsverklaring in 1945 was de positie van de islam een punt van discussie. Tenslotte werd men het eens over: ‘De staat is gebaseerd op de ‘Ketuhanan Yang Maha Esa’.  Deze onvertaalbare zin betekent zoiets als: ‘Grootheid van de enige God’, en werd de basis van de Pancasila.   Dit kernwoord van de grondwet betekent: gelijke kansen voor de 5 erkende godsdiensten: Islam, Protestantisme, Katholicisme, Hindoeïsme en Buddisme-Confucianism (al zijn de laatste twee moeilijk monotheïstisch te noemen).  De eerste president Sukarno neigde tot een 'synthese' met het communisme NASAKOM (nationalisme, islam en communisme) voerde agressieve buitenlandse politiek, trok zich terug uit de VN (!) en bracht het land in rampzalige economische toestand.  

Op 1 Oct 1965 vond een gruwelijke moordpartij op enkele top-generaals plaats, waarna in een soort contrarevolutie generaal Suharto de macht greep, die op zijn beurt honderd-duizenden communisten en van dito sympathieën verdachten liet vermoorden en in gevangenissen 'vergeten'. De schrijver gaat uitvoerig in op deze, voor de relatie Moslim- Christenen belangrijke gebeurtenis, maar het lukt ook hem niet de ware toedracht te ontdekken. Het resultaat was, dat Sukarno's 'geleide democratie' werd vervangen door de evenmin erg democratische 'Nieuwe Orde' van Suharto tussen 1965 en 1998. Over deze periode, waarin de godsdienst in toenemende mate van maatschappelijk belang werd,  handelt dit proefschrift.

De ‘Nieuwe Orde’.  
Na 1966 moest men zich bij een der ‘erkende’ religies aansluiten om geen communist te lijken. Zowel de katholieke als de protestantse kerken (in 1950 verenigd als Indonesische Raad van Kerken DGI) zagen een enorme toename van ‘bekeringen’, vooral in Java, de Batak landen en Timor. Er kwamen ook 35 missionarissen, waarvan 30 uit de USA.

   Het ‘geval Meulaboh
’.  Toen midden in het sterk islamitische Atjeh een nieuwe methodistenkerk werd gebouwd, eisten moslims verplaatsing van die kerk. Hierop brachten de protestantse partij Parkindo en de Partai Katolik de vraag naar vrijheid van religie in het parlement.  Hun leider Harun stelde voor religieuze propaganda te beperken tot mensen buiten de erkende religies, ‘net als het Nederlandse bestuur altijd gedaan had’. De regering was er vooral op uit, de rust te bewaren stelde zich neutraal op.

 Op 1 Oct 1967 vernielden moslims 18 christelijke kerken en gebouwen in Makassar, omdat een docent aan de hogeschool Muhammed had beledigd. De actie was voorbereid door opruiende preken van locale radiostations.  De regering riep hierop een ‘interreligieuze consultatie’ bijeen.  Beide partijen beriepen zich op een goddelijke opdracht hun geloof te verspreiden.   De consultatie eindigde in een deadlock.

Tegen ‘çhristianisatie’.
Generaal T.B Simaupang  was van 1951 tot 1959 stafchef van het Indonesiche leger, maar nam in 1959 ontslag na een conflict met Sukarno.  Daarna werd hij leider van de Raad van Kerken en ijverde voor overbrugging van de kloof tussen theologie en sociale realiteit. In 1968 werd hij lid van de World Council of Churches. Die wees Jacarta aan als plaats voor de Assemblé in 1975, nadat Simatupang positieve reacties had ontvangen van de leider van de Nadatul Ulama en president Suharto. Het zou een grote manifestatie worden met als motto: ‘Jesus Christ as Liberator and Integrator’.
   De moslim leiders voelden dit als een machtsvertoon en bedreiging door ‘christianisatie’.
Nadat  een Australische predikant in Jacarta vermoord werd maakte Suharto een ‘U-turn’  en laste de conferentie af.
   Tien jaar later bevestigde de regering de moslim eisen dat buitenlandse hulp gecontroleerd moest worden en dat religieuze propaganda alleen buiten de erkende godsdiensten is toegestaan. Voorts  stelde de regering , dat het de verspreiding van godsdienst niet zou beperken ‘zolang dit de openbare orde niet in gevaar bracht’. Dit was een duidelijk compromis. De christenen waren niet tevreden, want het belemmerde bouw van nieuwe kerken.
    In 1981 vaardigde de raad van Ulema’s een fatwa uit dat de moslims geen christelijke bijeenkomsten mogen bijwonen. Ook op dit punt gaf de regering, zij het met tegenzin toe.
    De schrijver concludeert, dat deze polemieken het bestaande wederzijdse wantrouwen versterkten. Hij kenschetst de Indonesische moslims als een meerderheid met een minderheids mentaliteit.
   
Na de val van Suharto’s ‘nieuwe orde’ namen de problemen verder toe. Zo werden in 2005 op W.Java 23  kerken gesloten, maar over deze periode handelt het boek niet.

Islamitische staat?
De moslims betogen, dat de Pantacila het voornaamste islamitische dogma Tawhid (monotheïsme) bevestigt. Voor de christenen betekent het vooral religieuze neutraliteit van de staat. Deze verschillende benadering leidde tot heftige discussies.
 De moslims voelden zich na de val van Sukarno sterker en  sommige groepen pleitten openlijk voor een islamitische grondslag. Maar het leger was tijdens de periode van ‘geleide democratie’ ook sterker geworden en steunde de ‘nationalistische’ visie op de Pancasila.
De christenen, en onder hen speciaal de katholieken, vonden in het leger een natuurlijke bongenoot en benadrukten de nationale eenheid.  Suharto gebruikte de pancasila ideologie om het regiem te bevestigen. Ook de moslims accepteerden met tegenzin de pancasila als hun basis.   Na de val van Suharto werden zowel moslims als christenen minder eenstemmig. Sommige christenen hebben contact met moslims die een niet-ideologische islam voorstaan en distantiëren zich van het leger, maar anderen niet.

Religie en familiewetgeving.
 De ambivalente definitie van de staat (niet Islamitisch maar ook niet seculier) gaf ruimte voor conflicten. Het meest opvallende was over de huwelijks wet. De moslims controleerden het ministerie voor religie terwijl de seculiere nationalisten dat van Justitie beheersten. Het eerste administreerde de molsim huwelijken,   terwijl de laatste, gesteund door vrouwenrechten groepen, een familiewetgeving voor het hele land, onafhankelijk van religie, wenste.                                                                                                           
 De moslims wensten een regeling voor de moslim families, ‘het laatste morele bolwerk in een seculariserende maatschappij’.  De christenen vreesden dat dit een eerste stap zou zijn naar religieuze discriminatie.

  Moslims waren met name tegen gemengde huwelijken, en de ulema’s vaardigden een fatwa uit waarin die ‘haram’ werden verklaard. (opm. Evert: in de meeste moslim landen kon in de ‘patriarchale’ tijd een christen vrouw in het huwelijk wel haar geloof behouden, maar het omgekeerde was niet mogelijk)
De hevige debatten over deze zaak versterkten het wederzijds wantrouwen. Een wetsvoorstel in 1973 wekte zoveel weerstand bij moslims, dat de regering en het leger politieke stabiliteit de voorkeur gaven boven seculiere idealen. Hoewel de zaak nog steeds niet geregeld was, werden interreligieuze huwelijken  sinds 1990 praktisch onmogelijk.

’Cultuur’ en onderwijs.
Reeds in 1930 was er discussie geweest of de Indonesische cultuur nu Westers, Javaans of Islamitisch was. Hoewel er zowel moslims als christenen waren die ‘universele humanistische waarden’ voorstonden, schoof tijdens de ‘nieuwe orde’  Suharto  naar de opvatting, dat de Pancasila nog wel de basis- ideologie was, maar de ‘geest van de Indonesische cultuur’  islamitisch is..
Terwijl de moslims op scholen islam lessen wilden, stonden de christenen een algemene morele opvoeding volgens de Pancasila voor, en verbonden zich met de seculiere nationalisten.
De kwestie bleef onopgelost tijdens de ‘Nieuwe Orde’, maar na Suharto’s val werd tegen oppositie van de christenen in 2003 een wet aangenomen die leerlingen recht gaf op religie-lessen in hun eigen godsdienst door docenten van diezelfde religie. Het is echter nog niet zeker, of die ook op christelijke privé-scholen (waar vaak moslim leerlingen zijn) zal worden toegepast.

Inter-religieuze dialoog.
De controversen stimuleerden ook verzoenende krachten. In de eerste plaats nodigde de regering soms beide partijen uit voor een bespreking, meestal nav een incident. Daarnaast waren er ook particuliere initiatieven, meestal door christelijke instellingen, mede gestimuleerd door oproepen van de Wereldraad van Kerken en het Vatikaan-II (1965), waarop vaak positief werd gereageerd. Maar slechts  een minderheid van de moslims en christenen stond hier achter. Bij de moslims waren dat de ‘liberale’ voorstanders van niet-ideologische islam, bij de christenen de ‘oecumenisch’ ingestelden.

  Suharto
trachtte de Pancasila als enige ideologie te bevorderen ten nadele van de  politieke islam  en tegelijk de culturele dimensie van de islam te bevorderen, zoals ook het Nederlandse gouvernement gedaan had. In 1966 weigerde het leger heroprichting van de Masyumi partij toe te staan. Dit stimuleerde de jonge generatie moslim activisten. Maar er ontstond ook een beweging voor ‘Vernieuwing van het Islam denken’, die stelde dat ‘secularisatie’ een materialistisch filosofie in strijd met de islam was, maar ‘secularisme’ een dynamisch proces van ‘desacralisatie’, nuttig om de islam te ontdoen van zaken die ten onrechte als heilig werden beschouwd. De politieke islam noemden zij een apologetische reactie op Westerse ideologieën. Deze stroming werd zowel door de regering als door christenen  gunstig ontvangen.
 Daarnaast propageerde de ‘Nieuwe Orde’ het begrip ‘perbangunan’ (ontwikkeling), waaraan religie ook moest meewerken. Ook dit werd door christenen en abangan moslims gesteund.  In de 90ger jaren steunde de regering echter in toenemende mate reformistische (fundamentalistische) moslims.

 Conclusie:
De halfslachtige houding van de regering heeft bestaande tegenstellingen aangewakkerd.  
 De moslims voelden zich bedreigd door ‘christianisatie’ en wilden:
-  Beperking van bouw nieuwe kerken
-  Beperking van missionaire acties tot buiten de 5 erkende religies
-  Controle op buitenlandse hulp
-  Verbod op interreligieuze huwelijken
-  Religie-onderwijs op scholen door docent van zelfde religie als leerlingen

 De christenen verzetten zich tegen deze eisen in naam van vrijheid van godsdienst. Hoewel huwelijk met anders-gelovigen ook onder christenen controversieel was, steunden zij die toch, evenals huwelijken gebaseerd op Javaans mysticisme, wat de ‘Santri’ moslims juist trachtten  uit te bannen. In 2005 verbood de Indonesische Raad van Ulama’s (MUI) niet alleen interreligieuze huwelijken maar verklaarde ook dat pluralisme, liberalisme en secularisme in strijd zijn met de islam. Tegen deze exclusieve opvattingen ontstond er in die tijd ook oppositie onder moslim activisten en intellectuelen.

  De christenen voelden zich bedreigd door een islamitische staat en steunden daarom het autoritaire Suharto regiem. Met name de katholieken hadden sterke banden met de regerings- partij Golkar. In de 90ger jaren steunde de regering echter steeds meer de moslims, hoewel zij nooit toestond dat de islam de Pancasila ideologie verving..
  De burgeroorlog in de Molukken na Suharto’s val was deels het gevolg van christelijke pogingen, verloren terrein terug te winnen. (deze uitspraak klopt niet met een ander proefschrift over de Laskar Jihad, Evert).
  Na 1998 wordt de islamitische ideologie niet meer door alle moslim partijen meer gedeeld.
De PKB van Wahid en de meer orthodoxe PAN van Rais, benevens de sindsdien door moslim reformisten geleide Golkar streven geen politieke islam na. Hoewel enkele kleinere partijen (PPP, PBB en PKS) dat wel doen, is de dreiging van een islamitische staat nu minder groot dan voorheen.
Vrijwel alle tegenstellingen tussen moslims en christenen zijn politieke problemen.
Zij kunnen volgens schrijver worden opgelost als er niet alleen een democratisch systeem, maar ook een democratische cultuur komt. Die kan worden bevorderd als de leiders respect voor mensenrechten en wederzijds vertrouwen tonen, niet alleen in woorden maar ook in daden.
                                                                                        Evert Mees,  Nov 2008


 
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu