Het sprookje van de Heilige Markt - EDM-2013

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Het sprookje van de Heilige Markt

Colums

   Het kon niet uitblijven: Na het ‘succes’ van geprivatiseerde spoorwegen, elektriciteitsnet en gezondheidszorg moeten de kerken er aan geloven. ‘Ook religie wordt markt van vraag en aanbod’ schrijft godsdienst- socioloog Sengers. ‘Spelers’ op de religieuze markten moeten elkaar als concurrenten beschouwen en hun ‘producten’ voortdurend aanpassen aan de verwachtingen van het ‘marktsegment’. Het idee kwam natuurlijk uit  Amerika, waar Stark en Finke in hun boek: ‘Acts of Faith’ (2000) de religie aan de ‘wetten’ van de economie onderwerpen. Niks Heilige Geest, religieuze deelname wordt bepaald door competitie.

    Het blinde vertrouwen in de verlossende kracht van de vrije markt komt volgens filosoof John Gray  voort uit het Verlichtings idee van de vooruitgang. ‘Vooruitgang is een mythe die zo diep in de Westerse cultuur is verankerd, dat men met stomheid geslagen is als je daar vraagtekens bij zet’, schrijft hij. ‘Het absolutistisch verlangen naar menselijke volmaaktheid is het grootste kwaad van de moderne wereld. Het misdadigste regime (de Sovjet Unie) baseerde zich op de radicale Europese verlichtings- filosofen. Maar het geloof in de vrije markt (marktfundamentalisme) is niet wetenschappelijker dan geloof in het Marxisme’.

 Adam Smith
(1723 – 1790) wordt beschouwd als de evangelist van de marktreligie. Maar weinigen kennen zijn uitgebreide werk, en veel uitspraken worden uit hun verband gehaald. ‘Niet van de welwillendheid van de bakker, maar van zijn eigenbelang verwachten wij ons brood’, schreef hij.. M.a.w. als ieder uit eigenbelang handelt, heeft ieder daar voordeel van.  En dan komt het toverwoord: ‘Hoewel hij niet de bedoeling heeft, het algemeen belang te dienen, zorgt een Onzichtbare Hand er voor, dat het niet gewilde doel toch bereikt wordt’.  Smith was geen econoom, maar moraalfilosoof. Hij prees wel de arbeidsverdeling, die veel efficiëntere productie, en dus welstand mogelijk maakt, maar schetste daarna  in schrille kleuren de afstompende werking van die eenzijdige arbeid, en concludeert: ‘In een beschaafde, gecommercialiseerde maatschappij is voor de noodzakelijke ontwikkeling van het eenvoudige volk aandacht van de staat nodig, meer dan van aanzienlijke en vermogende personen’. Dus weldadigheid en private ondersteuning redden het niet, de heilige Markt kan het niet, de staat is nodig! Markt is middel, geen doel.
    
 Ten onrechte concluderen dus zijn epigonen, dat als men de kapitalistische markt maar met rust laat en geen ‘sociaal zand’ in de machine strooit, alles vanzelf goed komt: Als het ons goed gaat: dat zijn de zegeningen van de vrije markt.  Als het slecht gaat: nee, niet de Heilige Markt, maar de zondaars die Haar ongehoorzaam waren, zijn schuldig. Een van die epigonen is Milton Freedman. Hij schreef (1963) letterlijk: ‘Niets kan de grondslagen van onze vrije maatschappij meer ondermijnen dan dat onderneming- leiders (corporate officials) enige andere verantwoordelijkheid accepteren dan zoveel geld als mogelijk is, te doen toekomen aan hun aandeelhouders’.  
  
 Die mentaliteit lijkt het tegenwoordig te winnen. De hebzucht, ongetwijfeld een der belangrijkste menselijke drijfveren, wordt door politici uitgebuit. Merkwaardig genoeg koppelen zij, met name het CDA, die aan deugd en fatsoen.                                 
   Dat moet zij wel, want er staat nog steeds het woordje ‘Christen’ in haar naam. Gelukkig is er het grote voorbeeld uit de tijd dat iedereen in Nederland nog naar de kerk ging: de VOC. Die eerste groot-kapitalistische onderneming, waar Jan Peter zo trots op is.             

   Dat was nog eens durfkapitaal, en die ferme jongens, stoere knapen durfden wat. We leven nu, onder de ‘tucht’ van de Heilige Markt, in de wereld van McWorld.  Net als de VOC levert die aan velen voordeel op. Maar dat zij ons naar een betere maatschappij voert, is een sprookje.

 
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu