Hannah Arendt en 'het kwaad' - EDM-2013

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Hannah Arendt en 'het kwaad'

Maatschappij

Hannah Arendt (1906-1975) werd geboren in Hannover uit ontwikkelde, links-liberale Joodse ouders. Zij studeerde filosofie bij de beroemde filosofen Heidegger en Jaspers. Met Heidegger had zij vanaf haar 19de een intense liefdesrelatie, die eindigde toen Heidegger zich tot het Nationaal-Socialisme bekeerde. Zij verweet hem 'compleet gebrek aan verantwoordelijkheid en lafheid'. Toch bleef zij later contact met hem houden en hielp hem bij het 'denazifictie' proces na de oorlog Meer begrip vond zij bij de antinazi Jaspers, bij wie zij in 1929 promoveerde op 'Het begrip Liefde bij St Augustinus'. Zij werkte enige tijd voor een Zionistische organisatie, werd gearresteerd wegens verzet activiteiten, emigreerde na vrijlating in 1935 en trouwde met haar tweede echtgenoot Blücher, een niet-Joodse activist waarmee zij tot zijn dood in 1970 samen bleef. Zij ontkende stellig dat zij een 'filosoof' was. 'Als je mij een 'vak' wilt toekennen, dan is het 'politiek theoretica'. Haar werk, dat getuigt van een enorme belezenheid, was onvermijdelijk bepaald door de Joodse lotgevallen en het Nazi regime. Haar opvattingen ontsproten aan diepgaande studie van de gebeurtenissen in haar tijd: nazisme, communisme, rassenscheiding.

Arendt is een onafhankelijk denker, die de uitzonderlijke moed had om haar ideeën tot in de laatste consequenties door te denken. Uiteraard werd zij daarom mikpunt van felle kritiek en laster campagnes van links tot rechts, van feministen tot Zionisten. Hoewel zij natuurlijk een ontwikkeling doormaakte, ben ik het niet eens met haar biograaf, die haar een 'deeply paradoxical figure' noemt, en herken eerder een consistentie in haar denken, dat ook gekenmerkt is door 'bewust vermijden van elk fanatisme'. Zij nam afstand van het Zionisme toen dat steeds ideologischer en intoleranter werd en terrorisme tegen Arabieren begon goed te praten. Zij hoopte op Joods-Arabische samenwerking en een 'Joods thuisland, geen Joodse staat'. 'Nog is het niet te laat', schreef zij in 1948 (!).

Haar voornaamste werken zijn: 'The origins of totalitarism' en Eichmann in Jerusalem: the banality of evil'. In haar maatschappij analyse maakte zij scherp onderscheid tussen het publieke en private domein. Dit resulteerde o.m. in een essay: Reflections on Little Rock, waarin zij, tot veler ontzetting, de gedwongen integratie van blanke en zwarte scholen afkeurde.

Met 'The Origins of Totalitarism' brak zij door op het internationale vlak. Het is een analyse van de totalitaire staten van haar tijd: Nazi-Duitsland en Sovjet Rusland. Zij ontkent dat het Nazisme iets te maken heeft met Duitse tradities en cultuur, het was juist een radicale breuk daar mee. Zij onderscheidt twee fasen: eerst de één-partij-dictatuur, gevolgd door 'totale dominantie'. Dit laatste heeft ten doel, de menselijke waardigheid te vernietigen. Hier had het 'radicale kwaad' zijn intree gedaan.
Zij worstelde met deze 'nachtmerrie van de realiteit', die volgens haar van een andere categorie was dan de tirannieën en massamisdrijven waar de geschiedenis zo vol van is. Het is de combinatie van terreur en ideologie. Later begon zij in te zien, dat ideologie, juist bij de elite, een ondergeschikte rol speelde. Zij waren vooral cynisch. Maar het was het Eichmann proces, dat een beslissende invloed had op Ahrend's mensbeeld.

Het Eichmann proces .
In 1960 werd zij door uitgever van The New Yorker naar Jeruzalem uitgezonden om het proces te verslaan tegen de SS officier Eichmann, die terecht stond voor de organisatie van de 'Holocaust'. Het resultaat was een 5-delig essay getiteld: 'Eichmann in Jerusalem: A report on the banality of evil'. Zij verdiepte zich in Eichmanns persoonlijkheid aan de hand van duizenden bladzijden verhoren en verwante literatuur. Haar resultaten waren niet wat men verwacht had, en schokten velen. Dat veroorzaakte een haatcampagne tegen haar persoon, integriteit en de inhoud van haar rapport, dat velen waarschijnlijk niet of maar half gelezen hadden. Pas na haar dood kreeg het de aandacht die het verdient. Haar conclusies waren:

a) Eichmann was niet het 'beestmens' dat hij op het eerste gezicht leek. Wel iemand met een stoornis, die echter, in minder extreme vorm, bij veel Duitsers aanwezig was. Daarom sprak zij van: 'De banaliteit van het kwaad'. .
b) Eichmann had de misdaden niet gepleegd in het land waar hij berecht werd. Het ware beter geweest, dat de slachtoffers niet op de rechterstoel waren gaan zitten, maar het oordeel hadden overgedragen aan een onafhankelijke, internationale rechtbank. .
c) De Joodse leiders hebben overal (niet alleen in Nederland) uiterst gewillig meegewerkt aan de selectie, registratie van bezittingen, transport en zelfs uitroeiing van de Joden. Zonder deze medewerking zouden er waarschijnlijk minder slachtoffers zijn geweest en zouden aanzienlijk meer Duitsers moeten zijn ingeschakeld.

Ad a) Eichmann kwam uit een middenklas gezin, had een beperkt verstand (faalde op de middelbare school) en wilde altijd 'ergens bij horen'. Hij begon als vertegenwoordiger en werd in 1932 lid van de NS partij en van de SS. Het onbrak hem geheel aan ideologische drift, hij zag het als een kans om 'hogerop' te komen. Zo kwam hij geleidelijk in de organisatie die de 'Endlösung' ten doel had en speelde achtereenvolgens een rol als onderhandelaar over 'uitzetting', de 'concentratie' en tenslotte de uitroeiing van de Joden. Persoonlijk heeft hij nooit een Jood gedood of mishandeld en ontkende ten stelligste dat hij gemotiveerd was door 'blinde haat tegen Joden', zoals de aanklacht luidde. Wel gaf hij toe medeplichtig te zijn aan een van de grootste misdaden uit de geschiedenis.

Arendt gelooft dat hij dat meende en dat het hem afschilderen als een satanisch wezen zonder precedent de ernst van de zaak tekort doet. Wat haar trof was Eichmann's 'gewoonheid', maar ook zijn absoluut onvermogen enige zaak met de ogen van een ander te bekijken. Hij dacht niet ideologisch en sprak uitsluitend in clichés. Deze 'lege kletskoek' was verbonden met een onvermogen om de denken. Het was niet mogelijk met hem te communiceren, niet omdat hij loog, maar omdat hij was 'afgeschermd van de realiteit' en zo de ernst van wat hij deed niet besefte. Deze merkwaardige verbinding van gedachteloosheid en kwaad maakte dat hij meer kwaad kon stichten dan alle slechte instincten bij elkaar.

In 1936 solliciteerde Eichmann bij de geheime dienst van de SS onder Heydrich (de echte organisator van de 'Endlösung'). Het was het jaar van Hitler's vredesspeeches toen hij overal werd gezien als een groot staatsman. De Joden waren in 1933 uit staatsambten geweerd, maar konden tot 1938 nog vrije beroepen en handel beoefenen. De 'rassenwetten' (1935) maakten Joden wel tot minderwaardige tweedekaasburgers, maar zij legaliseerden in feite een al bestaande situatie. Veel Joden dachten dat zij nu verder met rust gelaten zouden worden, ondanks incidentele pogroms. Joden konden nog emigreren. (zonder geld mee te nemen, maar dat mochten anderen ook niet).

Eichman's chef liet hem Herzl's 'Der Judenstaat' lezen. Dit ( waarschijnlijk eerste boek dat hij las) maakte diepe indruk en hij werd een voorstander van Zionisme (!). Hij begon te streven naar een 'politieke oplossing' (=deportatie) liever dan een 'fysieke oplossing' (= uitroeiing). Om zijn 'ideaal' te verspreiden leerde hij wat Hebreeuwse letters zodat hij een Yiddische krant kon lezen en tijdens het proces pochte hij op zijn goede relaties met Joodse leiders. Maar hij gaf niet toe aan emoties als die met het 'ideaal' in conflict kwamen. Eens kwam hij met de Hongaarse Jood Dr Kastner overeen om een paar duizend geselecteerde Joden ('het beste biologische materiaal') 'illegaal' naar Palestina te laten ontsnappen, in ruil voor 'ordelijk transport' naar Auschwitz van honderdduizenden Joden.

Na de 'Anschluss' organiseerde hij met succes de gedwongen emigratie : in korte tijd verlieten meer dan 100.000 Joden Oostenrijk. Het doel was geld (en daarmee deviezen) van de rijke Joden te krijgen en de 'arme massa's' kwijt te zijn. Het bleek dat hij goed kon in organiseren en onderhandelen. Tijdens het proces pochte hij, dat de Joden 'verlangden' om te emigreren, terwijl de Nazi autoriteiten Duitsland 'Judenrein' wilden maken: 'Zo kon ik beide partijen recht doen'(!) Deze en soortgelijke, in volle ernst gebrachte redeneringen (waarbij bleek dat hij bepaalde Duitse zegswijzen niet begreep omdat hij alleen 'Ambtsprache' gewend was) en de consistentie waarmee zij steeds herhaald werden, overtuigden Ahrend er van dat hij een ernstig intellectueel en moreel defect had, maar dat die 'loze praat' niet geveinsd was.

Onthullend was Eichmanns verslag van de Wannssee conferentie, waar tot de 'Endlösung' werd besloten. Hoewel hij flink had meegeholpen, voelde hij nog twijfel, of zo'n 'gewelddadige, bloedige oplossing' wel nodig was. Maar nu was hij gerustgesteld: 'Alle 'Pausen van het Derde Rijk', niet alleen Hitler en de SS, maar de hele ambtenaren-elite vocht om de eer, deze bloedige zaak te mogen uitvoeren: 'Ik voelde mij als Pontius Pilatus, vrij van alle schuld'. Hierna begon de grote organisatie van transporten uit heel Europa onder zijn leiding. Zonder blikken of blozen vertelde hij, eens in Auschwitz een Joodse 'Kommerzialrat' met wie hij goed had 'samengewerkt', in het kamp te hebben opgezocht. 'Ja, mein lieber Storfer' zou hij gezegd hebben, wat heb jij een pech . Maar ik kan je echt niet helpen, want van de Reichsführer mag niemand hier meer hier uit'. Hij had hem wat lichter werk bezorgd. Zes weken later was Storfer dood.

'Wat is dit voor mentaliteit?' vraagt Arendt zich af. Dat misdadigers zich niet schuldig voelen zolang zij in hun criminele milieu blijven, is een bekend verschijnsel. Maar hier was dat milieu het hele Duitse volk, dat zich tegen de realiteit had afgeschermd door dezelfde soort zelfdeceptie, stompzinnigheid en leugens. Een van de effectiefste leugens was dat zij verwikkeld waren in 'der Schicksalskampf des deutschen Volkes' waarin Duitsland moest vernietigen of vernietigd worden.

Had Eichmann een geweten? Ja, een bepaald soort: Zo vroeg hij zich af, of er niet een 'humaner' middel was om de Joden die zij niet konden voeden te doden dan doodhongeren. Ook was hij verontwaardigd als Joden met het ijzeren kruis dezelfde 'speciale behandeling' kregen. Maar in alle omstandigheden zorgde hij er voor dat zijn handelen door superieuren gedekt werd. Hij was ten diepste overtuigd dat 'succes' dè standaard is voor een goede maatschappij. (Een ook voor deze tijd relevante stelling!).

Hij bracht het tot luitenant-kolonel (geen 'top' rang). Er zat geen verdere promotie voor hem in, en hij had liever politiechef in een Duitse stad willen worden. 'Hitler mag dan fout zijn, maar hij heeft het van korporaal tot opperbevelhebber gebracht. Daarom onderwerp ik mij aan die man'. Zijn geweten sprak met de 'respectabele stem' van de respectabele maatschappij rondom hem.

ad b) Ahrend noemt het een showproces, of beter nog een 'manifestatie' die door Israëls premier, Ben Gurion om politieke redenen was georganiseerd. Hij ging hem niet primair op wat Eichmann gedaan had, maar hij wilde de nadruk leggen hoe de Joden geleden hadden tijdens de holocaust. Zaken die met Joodse medewerking (zie c) te maken hadden kwamen niet aan bod. De aanklagers waren er op uit, de Duitse regering Adenauer niet in moeilijkheden te brengen. Ook konden veel getuigen uit Duitsland niet worden gehoord, omdat zij in Israel voor misdaden zouden zijn aangeklaagd. De aanklager hield zich echter ook niet aan de aanklacht, en stelde de getuigen nooit specifieke vragen, zodat die vaak lange verhalen hielden die niets met de zaak te maken hadden. Daarentegen werd wel veel aandacht besteed aan de opstand in het Warschau getto, die ook niets met de aanklacht te maken had.

ad c) Het bleek dat de Europese Joden niet alleen vrijwel geen weerstand hadden geboden, maar dat overal Joodse leiders gewillig meewerkten aan hun eigen ondergang. Dat maakte het de Nazi's bijzonder gemakkelijk. Zowel tijdens het arresteren, het transport en zelfs in de kampen werd veel van het werk door Joden zelf verricht. De slachtoffers kregen tot hun dood maar incidenteel met hun beulen te maken. Er was weliswaar geen Joodse natie, geen Joodse regering of leger, maar er waren wel Joodse maatschappelijke organisaties, er waren gerespecteerde leiders, zowel nationaal als internationaal. De bittere waarheid is dat dit Joodse leiderschap, vrijwel zonder uitzondering, op de een of andere manier met de nazi's samenwerkte. Om dicht bij huis te blijven: Lou de Jong meldde dat van de 103.000 die met hulp van de Joods Raad naar de vernietigingskampen zijn gestuurd, slechts 519 overleefden, terwijl de helft van de 20-25.000 Joden die ondergronds gingen gered werden. Het is zeer te betreuren dat het Jeruzalem proces faalde om dit vreselijke feit in zijn ware afmeting te tonen. Immers, het geeft inzicht in de complete morele instorting die de Nazi's in de respectabele Europese maatschappij teweeg brachten - niet alleen in Duitsland maar in vrijwel alle landen, niet alleen van de daders maar ook van de slachtoffers. Over de Joodse 'ghetto-politie' die de nazi's geholpen had, werd gezwegen, men sprak liever over de 'echte verraders': anonieme zeldzame figuren.

Na het boek kwam een haat-campagne van het Joodse en Amerikaanse establishment op gang. 'Helaas zijn heel weinigen in staat daar weerstand aan te bieden. Ik kan me niet voorstellen dat mensen mijn uitspraken zo konden misverstaan als zij niet door deze campagne beïnvloed waren' schreef zij. Ik heb nooit gevraagd, waarom de Joden zich hebben laten vermoorden. Integendeel, ik verweet Hausner (rechtbank president) dat hij steeds weer die vraag stelde. Wat de Joodse leiders tot 1941 deden of nalieten is begrijpelijk. Geen enkele bevolkingsgroep in Europa heeft onder de druk van terreur anders gereageerd. Maar wat ik vroeg was de verklaring van hun latere samenwerking aan de 'Endlösung'. Die vraag is zo pijnlijk, dat zij onderdeel van ons onverwerkt verleden is gaan behoren.

Sommigen verweten Arendt onvoldoende compassie met het Joodse volk. Zij antwoordde: 'Ik voel geen liefde voor enig collectief, niet voor Duitsers of Amerikanen en ook niet voor 'de Joden', want ik ben zelf een Jood'. Ik 'geloof' ook niet in de Joden. Een Joodse vriend van haar zei eens: 'Ik geloof niet in God, maar wel in het Joodse volk'. Zij was verbijsterd: 'De grootheid van dit volk was dat zij eens geloofden in God en onvoorwaardelijk op Hem vertrouwden. En nu gelooft dat volk alleen in zichzelf? Wat kan daar voor goeds uit komen?'.

Evert: Dit is een onvolledige samenvatting van Arendt's betoog. Het heeft allemaal te maken met het grootste probleem van ons mens-zijn: Goed en kwaad

 
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu