Engeland en de Joden - EDM-2013

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Engeland en de Joden

Godsdienst

‘Bible and Sword’ Dit is de titel van het eerste boek (1956, maar nog steeds verrassend actueel) van de Amerikaanse historica Barbara Tuchman, waarvoor zij aanvankelijk geen uitgever kon vinden omdat zij nog onbekend was, en dat in 1984 (ten tijde van haar laatste boek over Vietnam) werd heruitgegeven. Het behandelt de relatie tussen Engeland en het volk Israël, en eindigt in 1919. Wat er daarna gebeurd is emotioneerde haar zo, dat zij niet meer ‘de voor een historicus noodzakelijke distantie’ kon bewaren, schreef zij bij de laatste uitgave.
Reeds in de 6 eeuw, toen de heidense Saksen en Denen het christelijke Engeland binnenvielen, vergeleek een geschrift dezen met de Filistijnen die het volk Israël bedreigden.
In de late Middeleeuwen werd de legende geboren, dat Jozef van Arimathea de persoonlijke apostel van de Engelsen was.
Hoewel de kruisvaarders zich met de Joodse held Judas Maccabeus vergeleken, werd iedere Joodse gemeenschap op hun pad uitgeroeid. Toen zowel als later was er een complete dissociatie tussen het volk der Hebreeën en de eigentijdse Joden. Tijdens de 3 kruistocht riep Richard III op ‘om het koninkrijk Israël te herstellen’, waarbij hij niet de Joden, maar de christelijke machten als rechtmatige erfgenamen van Jeruzalem op het oog had. Tijdens zijn regering kwamen door predikers opgezweepte haat tegen de Joden tot een climax met progroms tegen Joden in Oxford en York. Een eeuw later maakte de ‘kruisvaarder-koning’ Edward I een einde aan de Joodse aanwezigheid in Engeland door alle Joden te verbannen en hun bezittingen aan de kroon te vermaken.

Met de Reformatie werd de autoriteit van de paus vervangen door het verboden boek: de Bijbel. De Hebreeuwse oorsprong van het geloof kwam weer onder de aandacht en dat hielp ook om zich van Rome te distantiëren. De schitterende  ‘King James vertaling’ werd ‘de nationale Bijbel’ en drong diep in de geest van het Engelse volk. De ‘Anglo-Israël movement’ meende er passages te ontdekken die bewezen dat Engelsen de rechtstreekse afstammelingen waren van de 10 verloren stammen van Israël.
Hiermee kwam tevens een tijdelijk einde aan de pelgrimstochten, om plaats te maken voor handelsbetrekkingen. De Levant Company bracht o.m. katoen voor de opkomende textielindustrie. Met de Sultan werden handels betrekkingen gesloten. De reizigers brachten nu sceptische verslagen over het Heilige land en de daar verrichtte wonderen.

In de 17 eeuw bloeide het puritanisme onder Cromwell, met de Bijbel in de ene en het Zwaard in de andere hand. Zij waren speciaal geïnspireerd door het Oude Testament en zagen zich zelf, in navolging van Israël, als Gods uitverkoren volk.
In 1649 riepen twee Engelse Puriteinen uit Amsterdam de naties van Engeland en Holland op, om Israëls zonen en dochters naar het beloofde land terug te brengen. Natuurlijk zouden die Joden Christenen zijn,  omdat ze door contact met de Puriteinen geen weerstand tegen bekering meer zouen kunnen bieden. Andere prominente Puriteinen pleitten voor opheffing van de (350 jaar!) verbanning uit Engeland, omdat zij meenden te weten dat terugkeer van de Joden pas kon plaatsvinden nadat hun verstrooiing voltooid was.
De puriteinen gaven hun kinderen namen van Joodse patriarchen en krijgers: Henoch, Jozua, Israël, Obadja, zelfs Zerubbabel. Meisjes:  Deborah, Rebecca, Jael (die Israëls  vijand een tentpin door het hoofd sloeg). Een Londense bisschop verklaarde, dat de wetten van Moses onverkort voor christenen golden. De trompetten van Jozua spraken deze vrome krijgers meer aan dan het gebod om de andere wang toe te keren. ‘Heere, God der legerscharen’ (Lord, God of Hosts) was hun strijdkreet. Dat Israël zou worden hersteld na bekering tot het christendom, was geaccepteerde theologie.

De Joden zelf zagen dat natuurlijk anders. De Amsterdamse rabbi Manasse ben Israël schreef een petitie aan de ‘Lord Protector’ (Cromwell) om de Mozaïsche wetten in de Engelse wet te incorporeren, en tevens om de Joden weer in Engeland toe te laten. De geestelijkheid steunde dit laatste, maar de zakenlieden waren er fel tegen gekant. Ruimhartige toestemming zat er niet in, maar tenslotte werd toegegeven ‘dat er geen legale bezwaren waren’. Er volgde geen massale immigratie, en Manasse keerde teleurgesteld naar Holland terug.
Tuchman
merkt op: ‘Net als Lloyd George later, werd Cromwells beleid bepaald door  de dubbele overweging: Religieus enerzijds, profijt (militair, commercieel, politiek) anderzijds. In de 18 eeuw ontbraken beide motieven en veranderde er niets.
In die rationalistische eeuw was puritanisme niet meer fashionable. In 1753 zorgde de ‘Naturalisation Act’
voor enige beroering. Met het argument: ‘Als alle Joden mogen immigreren zullen ze ons land kopen, en loopt het christendom dan geen gevaar?’ werd de wet verworpen. Pas in 1858 zou er toestemming komen.

De tocht van Napoleon
naar Egypte en de Russische aspiraties zich een weg naar de Middellandse zee te banen, drukte het uitdijende Engelse imperium met de neus op het Midden Oosten. Zo werd het de bondgenoot van het (door het publiek verafschuwde) Osmaanse rijk, en wist vaste voet in Egypte te verkrijgen. In het kader van Engeland’s streven, het rijk van de Sultan voor ineenstorting te behoeden, instrueerde de Engelse minister van buitenlandse zaken, lord Palmerston, zijn gezant bij de ‘Porte’ er op aan te dringen, vestiging van Joden (‘onder wie tegenwoordig een sterk verlangen heerst naar Palestina terug te keren’) in dat gebied te bevorderen. Dat zou ook een goede waarborg tegen de kwalijke intenties van Mehmet Ali (de opstandige gouverneur van Egypte) zijn.

Terzelfder tijd voerde lord Shaftsbury
een bevlogen actie voor terugkeer van de Joden naar het Beloofde Land. De motieven van Palmerston waren politiek (het zwaard), die van de 7 graaf van Shaftsbury religieus (de Bijbel).  Hij was de verpersoonlijking van het principe ‘noblesse oblige’.  Als leider van de ‘Evangelicals’ streed hij tegen slavenhandel, en was de drijvende kracht achter sociale wetgeving (de Ten Hours Bill’). Maar het meest bekend is hij door de oprichting van de Society for Promoting Christianity among the Jews.  
Volgens hem was de bekering en terugkeer van de Joden de onmisbare schakel voor de wederkomst van Christus (Second Advent) en de Evangelicals zagen het als hun taak, Gods plannen te helpen verwezenlijken. Hoewel er veel tegen deze ‘bijbelse logica’ valt in te brengen, en grootschalige bekering van de Joden illusoir was, mocht in die kringen niet getwijfeld worden, want: ‘twijfel betekent Satans voet tussen de deur’. In 30 jaar boekte de Society in Londen 6 bekeringen per jaar. In Bagdad maakten 3 missionarissen 2 ‘converts’ onder 10.000 Joden.

Shaftbury’s doel was een ‘Anglicaans Israel’  Zij lievelingsproject was de vestiging van een Anglicaans episcopaat in Jeruzalem. Met veel moeite en diplomatieke druk lukte het om toestemming van de Sultan te krijgen, en in 1841 nam het parlement (!) een wet aan voor een bisschopszetel in Jeruzalem. Spoedig was ook een anglicaanse Jood, Dr Alexander, door de Aartsbisschop van Canterbury ingezegend..  Maar, zoals een andere Jood zei: ‘De berg Zion is niet een geschikte plaats om het geloof van onze vaderen te verloochenen’. Drie jaar later trof een bezoeker er 8 bekeerlingen en 2 toeristen aan tijdens een dienst. Toen Alexander een jaar later stierf, verzuchtte Shaftsbury: ‘Hebben we toch een menselijk project gemaakt en ons toen ingebeeld dat het een opdracht was van de Almachtige?’

In 1799 viel Napoleon Egypte binnen waar hij het Turkse leger versloeg, en in een proclamatie de Joden opriep om onder zijn vaandel Israël te doen herrijzen (!). Hij sloeg het beleg voor de havenstad Accre (net als Richard Leeuwenhard 600 jaar tevoren) maar de Engelse vloot kwam M.Ali te hulp, en versloeg het door ziekte verzwakte Franse leger. Toen Frankrijk M.Ali steunde tegen de Sultan, steunde Palmerston de opstand van Syrië tegen M.Ali, bezette Beirut en wist zo het wankele Osmaanse rijk intact en de weg naar het Suez kanaal open te houden.

Inmiddels was de Engelse publieke opinie doordrongen van de strategisch belang van het M. Oosten. Met de koop van het Suez kanaal in 1876 begon een kwart eeuw imperiale expansie. Omdat, zoals lord Cromer het uitdrukte: ‘er onweerstaanbare noodzaak bestond, verdedigbare grenzen te hebben’ werden in 10 jaar tijd 2,5 miljoen vierkante Km aan het imperium toegevoegd. Politieke belangen en religieuze intenties kwamen samen: ‘Abrahams voetstappen markeren ook de kortste weg naar India’.
Daar de val van het Osmaanse rijk binnenkort verwacht werd (het zou nog bijna een eeuw duren) meenden veel politici, dat een gebied ‘van de Nijl tot de Euphraat’(Genesis 15: 18), bewoond door (uiteraard bekeerde) Joden en onder Engelands protectie, onnoemelijk veel voordelen zou brengen. Ook de ‘Empire builder’ Disraeli was weliswaar voor de vorm christen, maar voelde zich sterk met zijn volk verbonden en ijverde voor Engelse heerschappij in die regio.

De zeer gelovige Jood Sir Mozes Montefiore, een Zionist ‘avant la lettre’
, ijverde voor een Joods Palestina. en verzocht M.Ali daar land te mogen kopen. Die gaf welwillend toestemming, maar zijn macht viel spoedig in duigen. In 1840 brak in Damascus een pogrom uit nav de beschuldiging van ‘rituele moord’ op een Franse monnik, opgehitst door Franse agenten en locale katholieken. Dat gaf Engeland de gelegenheid, om voor de Joden te interveniëren. Montefiore wilde dat de Joden zelf in actie kwamen, maar die waren daar nog niet rijp voor en te zeer bezig met hun eigen emancipatie.

Tot 1800 hadden de Joden passief gewacht op een bovennatuurlijke interventie. Maar de ‘Verlichting’ opende ook hun ogen en doorbrak de beschermende schil van de orthodoxie. ‘Het Joodse volk moet zijn eigen Messias zijn’ schreef een hunner. Ook zij ontdekten het nationalisme. Anti-Joodse uitingen is tal van landen, de pogroms(1881) in Rusland, het proces Dreyfus in Frankrijk overtuigden velen er van dat noch assimilatie, noch de Vooruitgang, noch Marxisme hen zou kunnen beschermen, zolang zij een natie zonder land bleven.
    
Einde 18 eeuw heerste de vaste overtuiging, dat  ‘het lot’ (destiny) de Engelsen, als het door God uitverkoren instrument, de taak had gegeven om beschaving  aan wereld te brengen.
Engeland was onder leiding van Joe Chamberlain, een ondernemer uit Manchester, bezig controle over het Suez kanaal zeker te stellen, want dat bracht haar commerciële en maritieme macht in gevaar. De controle van Egypte was al verzekerd doordat de Engelse consul-general, lord Cromer, daar in feite de leiding had. In 1877 kreeg het de controle over Cyprus in ruil voor garanties voor de Turkse bezittingen in Azie. Mede onder invloed van nog steeds heersende religieuze gevoelens, werd in 1885 van de Sultan toestemming verkregen, Joodse kolonisten in Palestina te vestigen. Dat werd geen groot succes, en lord Rothschield moest financieel bijspringen.

In 1897 publiceerde de Weense journalist Herzl ‘Der Judenstaat’
en riep vervolgens het eerste Zionistische congres bijeen. Hij was diep geschokt door het Dreyfus proces dat hij had bijgewoond. ‘Uitgerekend in het moderne, beschaafde Frankrijk, 100 jaar na de ‘Declaration des Droits de l’Homme’ schreef hij. ‘Als de Joden zichzelf niet helpen, helpt niemand ze’.  Hij had een lange strijd te voeren. Zowel tegen de traditionele Joden, zoals Rothschield, die juist hun emancipatie meenden te hebben bereikt, als tegen Chamberlain, die in zijn hart een hekel aan de Joden had. Later zag deze ‘uitvinder van het business imperialisme’ en man van de Boerenoorlog  echter wel iets in een Joods protectoraat als ‘legitieme mogelijkheid’ om het Britse imperium uit te breiden.  Bijvoorbeeld in Uganda.

Herzl reisde de wereld af voor zijn idee en bezocht zonder resultaat de Sultan, de Russische en de Duitse regering. In 1903 verwierp de regering, mede op advies van. Lord Cromer,  Herzls voorstel tot zijn diepe teleurstelling. Wel stelde een hoge ambtenaar van het Foreign Office in een memorandum voor, in Oost Afrika en plek te vinden voor Joodse vestiging, ‘met locale autonomie, maar onder het gezag van H.M..regering’. Tuchman merkt op, dat deze doelbewuste vaagheid met vermijding van het woord ‘staat’ kenmerkend was voor deze en latere Engelse toezeggingen.

 Eind 18 eeuw betrad lord Balfour de politieke arena. Deze telg uit een der aanzienlijkste Britse families was het tegenbeeld van ‘Manchester Joe’. Innemend, relativerend, met natuurlijk leiderschap, hield hij zich alleen met de grote lijnen bezig,om tijd over te houden voor zijn geliefde tennissport. Hij had al vroeg intellectuele bewondering opgevat voor bepaalde aspecten van de Joodse filosofie en cultuur, en wellicht de enige politicus die zich voor het standpunt van de Joden zelf interesseerde. Hij was gewoon nieuwsgierig zonder politieke bijbedoelingen. Hij maakte kennis met de jonge chemicus Chaim Weizman. Die vertegenwoordigde (itt mensen als Herzl en Rothschield) het Oost-Europese, ‘niet geassimileerde’ Jodendom. Die maakte veel indruk op Balfour, en zou de enige vriend zijn die hij op zijn sterfbed wilde ontvangen.

 Inmiddels was de eerste wereldoorlog uitgebroken. In 1915 dreigde er tekort aan springstoffen door gebrek aan het daarvoor noodzakelijke aceton. Men vroeg advies aan de chemicus Weizman, die in enkele weken een oplossing vond. Dat bracht hem opnieuw in contact met Balfour, die toen minister van Marine (en later van Buitenlandse zaken)  was.
Het strategische belang van het M.Oosten kwam weer op de voorgrond, en daarmee het belang van het Zionisme als nuttig schaakstuk in de Engelse politiek. Maar toevallig was ook Lawrence of Arabia’ daar bezig de Arabieren voor de Engelsen te winnen, aan wie eveneens beloftes voor onafhankelijkheid werden gedaan. Maar in het betreffende stuk wordt ‘het district ten Westen van Damascus’ (het woord Palestina werd niet genoemd) uitgezonderd.

Onofficieel werd  hevige strijd gevoerd met de Franse aanspraken, de Paus, de USA en vooral met de ‘geëmancipeerde’ Engelse Joden die anti-Zionist waren. In de regering verzette Lord Curzon zich tegen beloftes aan de Joden ‘omdat die kwestie zwanger was van onopgeloste problemen’. De toekomst zou hem daarin gelijk geven.
Maar de voorstanders kregen de overhand. Niet door religieuze motieven (zoals Balfour), maar omdat zij toch op het punt stonden Palestina te veroveren en dit een goed moreel motief verschafte. Dat was altijd nodig om het Britse geweten gerust te stellen. Zoals de sarkastische Shaw eens opmerkte:  ‘Het wachtwoord van de Engelsman is altijd: plicht. Hij zit nooit verlegen om een effectieve morele houding. Hij is tot alle goeds en slechts in staat, maar hij zal nooit op het verkeerde paard wedden (you will never find him in the wrong)’.
Voor velen verschafte de ‘Balfour declaration’ (1917) die morele rechtvaardiging. Hij zelf zag het als de kans, ‘iets concreets te doen om de vlek op onze eigen beschaving af te wissen’   De tekst (die later door Wilson, Frankrijk en Italie werd onderschreven), luidt o.m.:
‘H.M. Regering staat gunstig tegenover de stichting van een Joodse staat in Palestina
en zal zich inzetten om dit doel te verwezenlijken. Het moet daarbij duidelijk zijn, dat niets zal worden ondernomen dat de civiele en religieuze rechten van de bestaande niet-Joodse gemeenschappen in Palestina zou kunnen beperken’.

De Verklaring werd, temidden van het kanongebulder, alom begroet als een belofte van vrede, een triomf van vrijheid en gerechtigheid, de dagenraad van de ‘Vrede van Jeruzalem’ voor de hele wereld. Lord Cecil, onderminister van Buitenlandse Zaken, sprak (wellicht niet bewust van de omineuze betekenis):  ‘Zij zal een verrijkende invloed in de geschiedenis hebben, met consequenties voor de toekomst van de mensheid die niemand kan voorzien’.

Maar de eigenlijke wet die het herstel van Israël in Palestina mogelijk maakte was het Internationale Mandaat dat Engeland zich bij de vrede liet toekennen.. Wilson had bedongen, dat ‘de wensen van de volken ter plaatse de keus van de mandaathouder moesten bepalen’, maar in het Britse kabinet werd duidelijk gesteld, dat Palestina de plek was, van waaruit het Suez kanaal moest worden verdedigd.

 In de artikelen van het mandaat werden de vestiging van een Joods nationaal tehuis, bevordering van immigratie en verkrijgen van het Palestijns burgerschap door Joden uitdrukkelijk genoemd. Het woord ‘Staat’ was vermeden, maar iedereen had dat wel in het achterhoofd. Churchill voorzag ‘een Joodse staat onder bescherming van de Britse Kroon’.
Hier eindigde Barbara Tuchman bewust haar relaas. Het Mandaat werd in 1939 beëindigd (en de Balfour declaration impliciet ongedaan gemaakt) onder een andere Chamberlain (met hevig protest van Churchill) door het Witboek, waarin verdere Joodse immigratie en aankoop van land werd verboden (!).

E.J. Dorhout Mees, Vorden


 
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu