Een Corsicaanse geschiedenis - EDM-2013

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Een Corsicaanse geschiedenis

Vertalingen > Uit het Frans

Onlangs (1881) werden twee gendarmes vermoord toen zij een gevangene van Corte naar Ajaccio brachten. Inderdaad worden elk jaar in dit klassieke bandieten-land gendarmes opengesneden door de woeste boeren die wegens een of andere vendetta naar de bergen zijn gevlucht. De legendarische maquis herbergen op dit moment, volgens de heren magistraten zelf, 150 tot 200 van deze vagebonden, die op de toppen, tussen de rotsen en struiken leven, gevoed door de bevolking wegens de terreur die ze inboezemen. En nu heb ik het niet eens over de gebroeders Bellacoscia, die een bijna officiële bandieten-status genieten, en die de Monte d’Oro bezetten, vlak bij Ajaccio onder de neus van de autoriteiten. Dat gebeurt in ons vaderland – Corsica is een Frans departement – en niemand maakt zich druk over dit affront van de justitie!

Deze moordpartij herinnert mij aan een reis door dit magnifieke eiland, een simpel, maar karakteristiek avontuur, dat de geest ademt van dit door wraakzucht bezeten ras. Ik moest van Ajaccio naar Bastia reizen, eerst langs de kust, vervolgens door het binnenland. Daarbij passeert men het woeste en dorre dal van de Niolo, dat men daar het 'bastion van de vrijheid' noemt. Immers, naar dit ontoegankelijk oord vluchtten altijd de Corsicaanse strijders, bij de invasies van Genuezen, Moren en Fransen, en niemand heeft ze kunnen verjagen of onderwerpen.
Ik had aanbevelingsbrieven voor de route, want herbergen kent men niet in dit land, zodat men, net als in de oudheid, op gastvrijheid is aangewezen.

Na langs de golf van Ajaccio te zijn gereisd - een immense golf , omringd door hoge bergtoppen zodat het een meer lijkt - slaat de weg een dal naar de bergen in. Men passeert beekjes waar je het water hoort stromen zonder het te zien. Het onontgonnen land lijkt naakt. Soms komt men een inwoner tegen, te voet of op een mager paardje. Zij dragen alle een geladen geweer op de rug, altijd gereed om te doden bij de minste belediging.
De doordringende geur van de aromatische planten waarmee het eiland bedekt is, vulde de lucht, scheen nog zwaarder te worden, haast tastbaar. De weg steeg langzaam, langs gekartelde bergkammen. Soms ontwaarde ik iets grijs op de steile hellingen, alsof een hoop stenen van de top was gevallen. Het waren dorpjes van granieten huizen, als een arendsnest daar vastgeplakt, bijna onzichtbaar tegen het enorme gebergte.
De kastanje bossen in de verte leken wel struikjes, zo geweldig zijn in dit land de golven van opgestuwde aarde. En de maquis, gevormd door altijd groene eiken, jeneverbes, aardbei bomen, hagendorens. mastiekbomen, bruyere, laurier en mirten die hen verbinden, als haren vermengen, de clematis, de reuzenvarens, rozemarijn, kamperfoelie, braamstruiken vormden op de ruggen van de hellingen die ik beklom een onontwarbare haardos. En steeds leken boven deze groene hellingen de hoge granieten toppen naar de hemel te stijgen.
Ik had wat mondvoorraad meegenomen en ging zitten naast een van die kleine bronnen die dit bergland rijk is. Een dun straaltje helder ijskoud water kwam uit de rots en stroomde over een blaadje dat een voorbijganger had neergelegd om het stroompje tot in zijn mond te laten vloeien.
Op mijn paard, een beestje dat steeds rilde en wiens haren overeind stonden, rondde ik de golf van Sagone en passeerde Cargese, een Grieks dorp gesticht door vluchtelingen die uit hun land verdreven waren. Een groep grote mooie meisjes met slanke tailles, lange handen en fijne gezichtjes stond er bij een fontein. Op de complimenten, die ik hen vanaf mij paard toeriep, antwoordden zij met de zangerige klank van de harmonische taal van hun verlaten vaderland.
Na Piana te hebben gepasseerd kwam ik plotseling in een fantastisch bos van rose graniet, een woud van pieken, zuilen, verrassende figuren, aangevreten door de tijd, de wind, de regen, door het zoute zeeschuim.
Die vreemde rotsen, soms wel 100 meter hoog, dun als obelisken, gekroond als paddestoelen, of gespleten als planten, of krom als boomwortels, lijken op wonderlijke mensen, dieren, monumenten , fonteinen, houdingen van versteende mensheid, een bovennatuurlijk volk, in steen gevangen door de wil van een werelds genie, vormden een labyrint van onwaarschijnlijke vormen, roodachtig of grijs met blauwe ondertoon. Je kon er gehurkte leeuwen in zien, monniken met lange gewaden, bisschoppen en angstwekkende duivels, gigantische vogels, apocalyptische beesten, die hele fantastische menagerie van menselijke dromen die ons in nachtmerries vervolgen. En plotseling stond ik voor de golf van Porto, omringd door die bloedrode muur van graniet die weerspiegelde in de azuurblauwe zee

Na met moeite het sombere dal van Ota te zijn gepasseerd, arriveerde ik tegen de avond in Evisa en klopte ik op de deur van de heer Paoli Calabretti, voor wie een vriend mij een brief had meegegeven. Het was een man, groot van postuur, een beetje gebogen met het ziekelijke uiterlijk van een tuberculoseleider. Hij bracht me naar mijn kamer, een somber vertrek van ruwe stenen, maar toch mooi voor dit land waaraan ieder elegantie vreemd is. In zijn taal, een Corsicaans gebrabbel, schor Frans-Italiaans dialect, verzekerde hij mij welk genoegen het voor hem was mij te mogen ontvangen. Hij werd onderbroken door een kleine donkere vrouw, zonverbrand, wier witte tanden door een constante lach opvielen. Zij schoot tevoorschijn, schudde mij de hand: ‘Dag meneer, hoe gaat het met U?’, nam mijn hoed en bagage die zij neerzette met één arm, want de andere was verbonden in een mitella Ze stuurde ons naar buiten en zei tegen haar man: ‘Ga wat met meneer wandelen tot het diner’.

De heer Calabretti zette zich met mij aan zijn zijde in beweging, met langzame tred al kuchend, en zei bij iedere hoestbui: ‘Het is de lucht van dit dal, zo koud, die is op mijn borst geslagen’. Hij voerde mij langs een paadje onder enorme kastanjebomen, Plotseling bleef hij staan en zei met zijn monotone stem: ‘Hier is mijn neef Jean Rinaldi gedood door Mathieu Lori. Stel je voor, ik was er bij, vlak naast Jean, toen Mathieu op tien pas afstand tevoorschijn kwam. Hij schreeuwde: ‘Jean, ga niet naar Albertace, doe het niet, anders schiet ik je dood, ik waarschuw je’. Ik pakte Jean bij zijn arm en zei: ‘Ga er niet heen, hij doet het ook’.(Het was om een meisje waar ze beiden het oog op hadden, Paulina Sinacoupi). Maar Jean riep: ‘Ik ga wel, Mathieu dat kun jij niet verhinderen’. Toen richtte Mathieu zijn geweer, voordat ik het mijne kon pakken, en schoot. Jean maakte een sprong, zoals een kind dat koord danst, jawel meneer, en viel over mij heen zodat mijn geweer naar beneden rolde, naar die grote kastanje daar. Hij had zijn mond wijd open, maar er kwam geen woord. Hij was dood’.

Ik keek stomverbaasd, naar de rustige getuige van die misdaad, en vroeg: ‘En de moordenaar?’ Paoli Calbretti hoestte langdurig, en hernam: ‘Die is naar de bergen gevlucht. Mijn broer heeft hem gedood, het jaar daarna. U weet toch wel, mijn broer, de beroemde bandiet?.. ’. Ik stamelde: ‘Uw broer, een bandiet?’
De vriendelijke Corsicaan kreeg een trotse uitdrukking: ‘Jazeker meneer, hij is die beroemde. Hij heeft 14 gendarmes neergelegd. Hij is omgekomen samen met Nicolas Morali, toen ze omsingeld waren in de Niolo, na zes dagen strijd, toen ze stierven van de honger’. En op gelaten toon voegde hij er aan toe: ‘Het land wil dat nu eenmaal’ op dezelfde manier als”: ‘De lucht van dit dal is zo koud’.

Om mij te onderhouden had men de volgende dag een jacht georganiseerd, en de dag daarop weer. Ik liep door de ravijnen met die lenige bergbewoners, die voortdurend verhalen vertelden over avonturen van bandieten, gekeelde gendarmes, ontelbare vendetta’s die duurden tot een families was uitgestorven. En vaak voegden zij er, net als mijn gasheer aan toe: ‘Het land wil dat zo’.
Ik bleef er vier dagen, en de jonge Corsicaanse, wat te klein weliswaar maar charmant, half boerin half dame, behandelde mij als broer, als een intieme oude vriend.

Op het moment van afscheid nam ik haar mee naar mijn kamer en terwijl ik uitgebreid uitlegde dat het niet om een cadeau ging, drong ik er op aan om na terugkeer in Parijs, haar een souvenir van de reis te sturen. Zij bood lang weerstand, ze wilde niets accepteren, maar tenslotte gaf ze toe: ‘Nu vooruit, stuur me dan maar een kleine revolver, een heel kleintje maar’. Ik zette grote ogen op. Toen voegde zij er zachtjes aan toe, vertrouwelijk, als een intiem geheim: ‘Het is om mijn zwager te doden’. Nu was ik helemaal geschrokken. Daarop haalde ze snel de windsels van haar niet gebruikte arm en toonde het blanke vlees waarover een lange snede liep die begon te verlittekenen:

‘Als ik niet net zo sterk geweest was als hij’, zei ze, ‘zou ik dood zijn geweest. Mijn man is niet jaloers, hij kent mij, en tenslotte is hij ook ziek, dat kalmeert het bloed. Trouwens, ik ben een fatsoenlijke vrouw, ik meneer, maar mijn zwager, die gelooft alle praatjes die men hem vertelt. Hij is jaloers voor mijn man en zal vast weer beginnen. En als ik dan een revolver heb, kan ik hem zeker doodschieten’.
Ik heb haar beloofd het wapen te sturen en heb woord gehouden, Ik heb er op laten graveren”: ‘Voor Uw wraak’.

 
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu