De hand - EDM-2013

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

De hand

Vertalingen > Uit het Frans
(La Main) door Guy de Maupassant

In het kringetje dames rond M. Bermudier kwam het onderwerp 'bovennatuurlijke' gebeurtenissen ter sprake. 'Ja dames, ik zou onbegrijpelijke zaken, die U bovennatuurlijk noemt, liever 'onverklaarbaar' willen noemen', zei hij. De volgende gebeurtenis heeft mij zeer aangegrepen:
Ik was destijds rechter van instructie te Ajaccio, een wit stadje aan een prachtige baai, omgeven door hoge bergen. Waar ik me daar vooral mee moest bezighouden waren 'vendetta' zaken. Sommige zijn schitterend, hoogst dramatisch, woest, heroïsch. Ik kwam daar de mooiste voorbeelden van wraak tegen, die men zich kan denken, eeuwige haat, soms even verminderd maar nooit uitgeblust, afschuwelijke listen, moorden die slachtingen werden, bijna glorieus. Twee jaar lang hoorde ik alleen maar praten over bloedprijs, die vreselijke Corsicaanse obsessie die eist dat iedere belediging moet worden gewroken, niet alleen op de dader, maar ook op zijn verwanten en nabestaanden. Ik heb grijsaards, kinderen gewurgd zien worden. Mijn hoofd zit vol van die verhalen.
Zo kreeg ik op een dag bericht, dat een Engelsman voor enkele jaren een kleine villa aan het eind van de golf had gehuurd. Hij had een Franse bediende meegenomen die hij op doortocht in Marsielle had aangenomen. Al gauw begon ieder zich te bemoeien met die vreemde man, die nooit naar de stad kwam maar elke ochtend schiet oefeningen deed met pistool en karabijn. Al spoedig gonsde het van geruchten: Het zou een belangrijk persoon zijn die zijn land om politieke redenen was ontvlucht. Later heette het dat hij zich verborg wegens een afschuwelijk misdrijf dat hij had begaan, men wist zelfs bijzonder weerzinwekkende omstandigheden te vermelden.
Als rechter van instructie wilde ik inlichtingen over de man inwinnen, maar ik kwam niets te weten, behalve dat hij John Rowell heette. Ik liet hem dus controleren, maar ik vernam niets verdachts over hem. Maar de geruchten hielden aan en werden ernstiger, algemener. Dus besloot ik te trachten hem zelf te ontmoeten door regelmatig in de buurt van zijn huis te gaan jagen. Eindelijk deed zich een gelegenheid voor toen ik vlakvoor de neus van de Engelsman een patrijs neerschoot. Mij hond apporteerde hem en ik ging mij meteen verontschuldigen en verzocht Sir Rowell de dode vogel als geschenk te accepteren.
Het was een rijzige roodharige man, met rossige baard, zeer lang en fors, een vreedzame, beleefde Hercules. Hij had niets van de stugheid die men de Britten toeschrijft en bedankte mij hartelijk voor mijn voorkomendheid in Frans met een duidelijk Engels accent. In enkele weken spraken wij elkaar 5 of 6 maal. Op een avond toen ik langs zijn huis kwam zat hij, schrijlings op een stoel in zijn tuin een pijp te roken. Toen ik hem groette, vroeg hij mij om binnen een bier te komen drinken. Dat liet ik mij geen tweemaal zeggen. Hij ontving mij met alle Engelse hoffelijkheid, sprak vol lof over Frankrijk, over Corsica en verklaarde hoezeer hij was gesteld op dit land en deze kust. Daarop stelde ik hem, zeer voorzichtig en in de vorm van een bijzondere interesse, een paar vragen over zijn leven en vooruitzichten. Hij antwoordde zonder enige terughoudendheid en vertelde dat hij veel gereisd had in Afrika, in Indië en in Amerika. Lachend voegde hij er aan toe: 'Ik heb heel wat avonturen beleefd, oh! yes'.
Daarop begonnen we over de jacht te spreken, en hij vertelde de meest bijzondere details over het jagen op nijlpaarden, tijgers, olifanten en zelfs op gorilla's. Ik zei: 'Dat zijn de gevaarlijkste dieren'. Hij glimlachte: 'Oh! no, de mens, die was het ergste'. Hij begon breeduit te lachen, de hartelijke lach van een tevreden Engelsman: 'Op mensen heb ik ook veel gejaagd'. Vervolgens sprak hij over soorten wapens en nodigde mij binnen om geweren met verschillende systemen te tonen.
Zijn salon was donker, bekleed met zwarte zijde waarop gouden borduursels. Grote gele bloemen versierden de donkere stof en schitterden als vlammen. 'Dat zijn Japanse gordijnen' legde hij uit. Maar midden in het grootste tafereel werd ik getroffen door iets heel vreemds. Op een rood vierkant stuk fluweel was iets zwarts. Ik kwam dichterbij: het was een hand, een mensenhand. Maar geen wit skelet, maar een zwarte, uitgedroogde hand, met gele nagels, blootliggende spieren en resten bloed op de botten, die halverwege de onderarm als door een bijl waren afgehakt. De pols was met een ijzeren ketting aan een ring in de muur bevestigd, sterk genoeg om een olifant vast te houden. 'Wat is dat?' vroeg ik. De Engelsman antwoordde rustig: 'Dat was mijn beste vijand. Hij kwam uit Amerika. Ik heb het met een sabel afgehakt, de huid er met een scherpe steen af gestroopt en acht dagen in de zon gedroogd. Aoh, erg goed voor mij, dat ding' Ik betastte de menselijke rest, die een reus moest hebben toebehoord. Aan de buitensporig lange vingers zaten pezen, waar hier en daar nog stukje huid aan kleefden. Die hand was vreselijk om te zien, zoals hij deed het denken aan een of ander woeste wraakneming. 'Die man moet wel geweldig sterk zijn geweest' zei ik. De Engelsman antwoordde zacht maar duidelijk: 'Aoh, yes. Maar ik was de sterkste. Ik heb hem aan deze ketting moeten leggen om in bedwang te houden'. Ik dacht dat hij een grapje maakte en zei: 'Die ketting is nu dus niet meer nodig, die hand zal niet meer ontsnappen'. Maar Sir John Rowel antwoordde ernstig: 'Zij wil er steeds vandoor gaan. Die ketting was zeker nodig'. Ik wierp een snelle blik op zijn gelaat, mij afvragend: 'Is dit een gek, of een flauwe grap?' Maar zijn gezicht bleef ondoorgrondelijk, rustig en vriendelijk. Ik praatte verder over andere dingen en bewonderde zijn geweren. Niettemin merkte ik wel op, dat er drie geladen revolvers op de meubels lagen, alsof hij in een permanente vrees voor een aanval leefde. Ik zocht hem nog enkele malen op, daarna ging ik er niet meer heen. Men had zich aan zijn aanwezigheid gewend, niemand interesseerde zich meer voor hem.
Zo ging er een jaar voorbij. Toen werd ik op een ochtend in November door mijn bediende gewekt met het bericht dat Sir John die nacht was vermoord. Een half uur later bezocht ik zijn huis samen met de commissaris en de kapitein van de gendarme. Zijn knecht was geweldig overstuur en zat voor de deur te huilen. Ik verdacht een moment die man, maar hij was duidelijk onschuldig. Men heeft de dader nooit kunnen vinden.
Toen ik de salon van Sir John binnenkwam, zag ik meteen zijn lijk, op de rug, midden in de kamer. Zijn hemd was gescheurd, een mouw hing er bij en er had duidelijk een verschrikkelijke worsteling plaatsgehad. Hij was gewurgd, zijn gelaat zwart en opgezwollen, met een uitdrukking van intense angst. Hij hield iets tussen zijn tanden geklemd; zijn hals, doorboord met 5 gaten als door ijzeren punten, was bedekt met bloed. Er kwam een arts, die de afdrukken van de vingers lang onderzocht en toen de merkwaardige woorden sprak: 'Het lijkt wel of hij door een skelet is gewurgd'. Er ging een rilling door mijn lijf en ik wierp een blik op de muur, waar ik destijds die vreselijke gevilde hand had gezien: Zij was verdwenen, de ketting was gebroken en hing los naar beneden. Ik boog mij over de dode en zag dat tussen zijn tanden een van de vingers van de verdwenen hand, afgebeten bij het tweede kootje. Alles werd onderzocht, er werd niets gevonden. Er was geen deur geforceerd, geen venster vernield. De twee waakhonden hadden niet aangeslagen. Zijn bediende vertelde -kort samengevat - het volgende:
Sinds een maand was zijn meester erg opgewonden. Hij had veel brieven gekregen, die hij regelmatig verbrandde. Dikwijls had hij, in een vlaag van aan waanzin grenzende woede, met een karwats ingeslagen op de hand die aan de muur was geklonken en onverklaarbaar verdwenen was op het uur van het misdrijf. Hij ging laat naar bed en sloot alles zorgvuldig af. Hij had altijd een wapen onder handbereik. Vaak hoorde ik hem s'nachts luid praten alsof hij met iemand ruzie had. Maar op die bewuste nacht had hij geen geluiden gehoord en pas toen hij de luiken was komen openen had hij hem vermoord gevonden. Hij had geen enkele verdenking. Ik bracht verslag over alles wat ik wist een de magistraten. Men liet het hele eiland zorgvuldig doorzoeken, maar er werd niets ontdekt.
Toen, op een nacht 3 maanden later, had ik een afschuwelijke nachtmerrie: Het leek of ik de hand, die vreselijke hand, als een schorpioen of een spin door de kamer zag lopen en langs de muren en de gordijnen klimmen. Drie maal werd ik wakker en sliep weer in, en driemaal zag ik dat afzichtelijke gedrocht door de kamer rennen met de vingers als poten. De volgende ochtend bracht men het mij de hand, gevonden op het graf van John Rowel. De wijsvinger ontbrak.
Ziedaar, dames, mijn verhaal. Ik denk dat het om een soort vendetta ging. 'Maar dat kan toch niet waar zijn', mompelde een van hen. De rechter van instructie antwoordde lachend: 'Ik had toch gezegd, dat mijn verklaring U niet zou bevredigen?'

 
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu