Armeense geschiedenis - EDM-2013

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Armeense geschiedenis

Geschiedenis

     Armeense geschiedenis en achtergronden van de genocide
           
Vroege historie.

De Armeniërs duiken voor het eerst omstreeks 700 v.Chr. in de geschiedenis op in het gebied van het Van-meer en rond de berg Ararat.
Zij stammen waarschijnlijk af van de Urartiers (Ararat-Urartie-Armenie), wier rijk zich op dezelfde plaats bevond. Een Armeens koninkrijk wist zich met moeite tegen de Perzen en de Romeinen staande te houden.  
De Armeniers werden in 301 door St Gregorius tot het Christendom ('Monophysitische'
vorm) bekeerd. Dit  leidde tot een conflict met Byzantium.  dat hen dwong, een deel van hun gebied af te staan. Dat veroorzaakte een volksverhuizing naar het Zuidwesten, waar  het zg 'Klein Armenië' (gebied van Antep, Urfa, Adana) ontstond.  

Omstreeks het jaar 1000 werd Armenië door de Seldsjoeken veroverd. Er volgden nog enkele rampspoeden (Mongolen) waarna de toestand zich stabiliseerde. Het door Armeniërs bewoonde gebied (waar zij doorgaans geen meerderheid vormden) kwam deels onder betuur van het  Osmaanse en deels van het Perzische rijk. Tijdens de Kruistochten kwam het tot intensieve contacten met de Franse kruisvaarders. Boudewijn van Vlaanderen stichtte een graafschap (1098-1144) in de oude Romeinse provincie Silicie met als hoofdstad Edessa, het huidige Urfa. Een van zijn opvolgers liet zich tot  'Koning van Armenië' kronen. Het ontbrak niet aan pogingen van de Paus om de Armeniërs - religieus en commercieel bondgenoten tegen Byzantium-- tot de Roomse kerk over te halen.

In het Osmaanse rijk
vormden de Armeniërs een van de religieuze minderheden (Millets).
Zij woonden als handelslieden en handwerkers  verspreid door het hele land, met een belangrijke gemeenschap in Istanbul, waar ook hun patriarch zetelde. Welgestelde Armeniërs hadden belangrijke administratieve functies. Zij werden als de meest loyale onderdanen beschouwd ('millet-i-sadika'). Geen enkele minderheid heeft zoveel ambten bekleed. Ook in het 'hartland' van Armenië vormden zij een minderheid, zoals blijkt uit een Engelse reisgids uit 1845 (!), waarin van alle beschreven steden en dorpen het aantal Armeense families wordt genoemd. Daarin staat ook: 'Het land herstelt langzaam van de Russische bezetting. Veel Armeense families zijn met de Russen weggetrokken'.

   In de 18de eeuw kwam in Europa het nationalisme
op en ook de Armeniërs  vormden zowel legale als ondergrondse organisaties. Leden van de  marxistische Hunchakian-  en de nationalistische Dashnak-partij begonnen Armeniërs  in dienst van de Sultan te vermoorden.  Er werden bom- aanslagen gepleegd, die leidden tot bloedige represailles en tot herhaalde, door de politie getolereerde of zelfs gesteunde pogroms.  Hiervan waren vooral de arme Armeniërs het slachtoffer. De Griekse minderheid steunde hen niet.
Voorts hadden Armeniers in het Oosten te lijden onder roof- overvallen door de in hetzelfde gebied wonende Koerden en Tsjerkessen (dit is een Moslimvolk dat om aan vervolgingen door de Russen in 1864  vrijwel geheel naar Anatolie is ‘uitgezet’.). Klachten hierover
vonden echter geen gehoor.

Tegelijkertijd begon een terugtocht van moslims en Turken op alle fronten: Alleen uit de Krim vluchtten 1 miljoen mensen naar Anatolie. Tijdens de Russische oorlog (1877-78) en de Balkanoorlogen (1912) vonden gruwelijke slachtingen onder de Moslims plaats, die grote vluchteling-stromen op gang brachten. Die groepen hielden hun eigen verenigingen en tijdschriften  en  waren van wraakgevoelens vervuld. Tussen 1878 en 1904 vestigden zich 850.000 in door Armeniërs bewoonde gebieden. Zij zouden later gewillige beulen worden van 'hen die met de vijand samenspannen'.

Na de Krimoorlog begonnen de Westerse mogendheden en Rusland eisen aan de Turken te stellen voor vrijheid en veiligheid van de Armeniërs. Daar deze woorden  niet gepaard gingen met de wil hen daadwerkelijk te beschermen, werkte zulke 'hulp' averechts doordat zij daarmee 'in het kamp van de vijand' werden geplaatst. De 'rode sultan' Abdülhamid
richtte de beruchte 'Hamidiye' ruiter-regimenten op. Dit waren irreguliere, uit Koerdische stammen gerekruteerde korpsen. Formeel bedoeld om de grens te bewaken, kregen zij in feite de vrije hand tegen de Armeniërs.  Dat resulteerde omstreeks 1890 in moordpartijen, waarvan het aantal slachtoffers in de tienduizenden liep.
In 1896  werd de Armeniër Artin Pasha Dadjian benoemd tot voorzitter van een commissie die tussen de  sultan en de revolutionairen moest bemiddelen. Op kritiek van die laatsten antwoordde hij: 'Nee, ik ben geen pion van de Turken. Maar is voorzichtig patriottisme niet ook patriottisme?'  Maar de revolutionairen wilden wraak: 'Vrijheid of dood'  was hun leus.    

    Dit alles wekte bij de Osmaanse regering de vrees voor algehele instorting van de bestaande orde. Als remedie werd een 'Panislamistisch' ideologie, waarin Turkije omringd door (Christelijke) vijanden gezien werd, gaandeweg tot bewuste politiek. Zoals Sultan Abdulhamid het uitdrukte: 'Met Griekenland en Roemenie heeft Europa onze voeten afgehakt, met Bulgarije, Servië en Egypte verliezen wij onze handen, en nu willen ze met hun propaganda onder de Armeniërs ook onze ingewanden weghalen'. Met deze mentaliteit was het gemakkelijk de primitieve bewoners met beroep op hun religieuze gevoelens te overtuigen dat het ontnemen van leven (en bezit!) aan de 'ongelovige Armeniërs' een rechtvaardige zaak was.
 De Armeense politieke organisatie 'Dashnak' steunde de 'Jong-Turkse' revolutie in 1908 en kreeg enige parlementszetels. Maar een jaar later maakten religieus-conservatieven  een contrarevolutie en braken rellen uit. In Adana ontstond een pogrom waarbij 20.000 Armeniërs omkwamen. De orde werd hersteld door Cemal pasja, die 37 Moslims (waaronder 1 Mufti) en één Armeniër liet ophangen.

Toch konden de moordpartijen van de 90-er  jaren nog als, weliswaar centraal gedirigeerde, 'spontane volks-uitbarstingen'  worden beschouwd. Anders was het bij de gebeurtenissen die nu volgden.  In Oktober 1914 werd Turkije door de intriges van de Jong-Turkse premier Enver pasha
, tegen veler zin, in de 1ste wereldoorlog gesleept. Enver droomde van een 'Groot-Turkije' en begon terstond een veldtocht tegen de Russen in de Kaukasus. Dit gebied staat bekend als 'Turks Siberië'. Door totaal gebrek aan voorbereiding kwam  vrijwel het hele 80.000 man sterke 3de leger door honger kou om het leven.  Kort hierna volgde de ‘uitzetting’ en vernietiging van de Armeense bevolking.  Deze schandelijke nederlaag was een belangrijke oorzaak ('dolkstoot legende') van de kort daarop volgende massamoord. van 1915. Toen werd in één jaar tijd vrijwel de gehele Armeense bevolking vernietigd.
                         (Zie ‘De Armeense genocide’).
In het vredesverdrag van Lausanne (1921) kwam Armenië niet meer voor. Het onderwerp leek lange tijd vrijwel vergeten.
  
Hernieuwde aandacht.

De Armeniërs in de 'Diaspora' (vooral in Libanon, USA, Frankrijk) hebben een hechte band, die de herinnering aan de massamoorden levend houdt. In 1976 werd een Armeense terreur-organisatie 'Asala'
opgericht, met haar hoofdkwartier in Beirut. Die zag kans om 35 Turkse diplomaten en ambassade personeel in diverse hoofdsteden te vermoorden. Tevens eisten zij erkenning van de genocide en vestiging van een Armeense staat in N.O.Anatolie. Toen Asala ook  aanslagen op toeristen en vliegtuigen (in Parijs en Ankara) ging plegen was ook in het Westen de maat vol en werd zij 'buiten gevecht gesteld'   
Tegelijkertijd begonnen invloedrijke Armeense lobby's in de USA en Frankrijk (bondgenoot sinds de Kruistochten!) acties om parlementen van die landen te bewegen de 'Armeense volkenmoord' bij de wet vast te leggen. Deze acties werden onlangs weer geïntensiveerd en leidden tot emotionele reactie in de Turkse media, de regering en vrijwel de gehele bevolking. Daarbij speelt ook het volgende een rol:

Na de val van de Sovjet Unie ontstonden grote problemen in de Kaukasische regio. Als reactie op Armeense betogingen vonden in het buurland Azerbeidzjan
pogroms tegen daar wonende Armeniërs plaats. Dat leidde tot uitzetting van 1/4 miljoen Azeri's uit Armenië en een dito aantal Armeniërs uit Azerbeidzjan.  De bewoners van de voornamelijk door Armeniërs bewoonde enclave ('oblast') Nagorno-Karabach wilden zich bij Armenië aansluiten, wat de Azeri's weigerden. Armeense 'vrijscharen' (maar wel gesteund door Russische tanks en vliegtuigen) veroverden  in 1992 het gebied van Azeri's en namen er meteen nog een tweemaal zo groot gebied bij, waaruit zij alle Azeri's verdreven. Als gevolg hiervan leven  nog steeds honderdduizenden Azeri's als vluchteling. 'Het Westen' heeft weinig interesse (zie P.Michielsen in de NRC Nov '02), maar in de Turkse media kreeg de zaak veel aandacht en leidde zij tot boykot maatregelen tegen Armenië.

Huidige toestand.

D
e Armeniers zijn er in geslaagd zijn, hun land vrijwel geheel 'etnisch te zuiveren'  en willen dat graag zo houden. Een rapport (2002) van de 'Commission on elimination of racial discrimination' noemde Armenie  een mono-etnische staat. Op klachten van minderheden over gedoogde misdaden werd geen antwoord ontvangen.
Er zijn nog 45.000 Armeniërs in Turkije,
vooral in Istanbul waar het Patriarchaat is gevestigd. Officieel wordt hen niets in de weg gelegd, en de Patriarch mag zo nu en dan opdraven om te laten zien hoe tolerant de Turkse republiek is. Toch zijn er, net als met andere Christelijke groepen, pesterijen van ambtswege, zoals het verbod om 'politiek' te bedrijven, waaronder ook het herstel van een kerk verstaan wordt. De acties van de terreurgroep 'Asala' , en meer nog de acties van de 1 miljoen Armeniërs in de diaspora (zie boven) leiden er toe dat bepaalde instanties trachten alle sporen van het oude Armenië uit te wissen. De patriarch is niet blij met de huidige acties in allerlei landen om de 'genocide' bij de wet (!) vast te stellen.

Uiterst emotioneel onderwerp
.
Onder druk van de internationale aandacht houden Turkse politici zich nu met de kwestie bezig. Hun stelling is: 'Laat de historici dit uitzoeken, de archieven zijn toegankelijk'. Maar zelf doen zij geen serieuze pogingen.. Dat deed de Duitse historicus Hilmar Kaiser wel. Door zijn objectieve benadering wist hij zowel Armeense als Turkse onderzoekers tegen zich in het harnas te jagen. Zijn conclusie: 'Ik heb in de hele wereld archief onderzoek gedaan, maar nergens was dat zo moeilijk als in Turkije. Ieder document was een controle -commissie (waarvan het bestaan wordt ontkend) gepasseerd, er werden video-opnames gemaakt enz. In 1995 werd ik er uit gegooid. De huidige generatie Turkse archiefambtenaren en historici is dermate met propaganda opgevoed, dat ze er in zijn gaan geloven'. Maar ook op de Armeense onderzoekers heeft hij scherpe kritiek: zij laten alles wat onwelgevallig is weg, praten elkaar na.   

   De opleving van Turks nationalisme in 2005 heeft de zaak nog verslechterd. Maar er lijkt met de moord (2006) op de Armeense journalist Hrant Dink en kentering te komen. Er waren protest-demonstraties met leuzen: ‘Wij zijn allen Armeniërs’. De Turkse president Gül kondigde onlangs een onderzoek aan ‘om die schandvlek weg te nemen’. De huidige (moslim) regering liet voor het eerst diensten in een Armeense kerk en klooster toe (al was dat wel voor de show). Maar de  Koerdische krant Ozgür Gündem (spreekbuis van ‘terroristische’ PKK) publiceerde (als enige) een verklaring waarin ronduit excuses werden aangeboden.

 
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu