Algerijnse terreur - EDM-2013

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Algerijnse terreur

Geschiedenis

In 2000 verscheen in Frankrijk een boek van Habib Souaidia, oud-officier van de 'Speciale eenheid' van het Algerijnse leger, getiteld: 'La Sale Guerre'. Hij vertelt daarin over de wreedheden tegen de Algerijnse bevolking, gepleegd onder het mom van terrorisme bestrijding.  Het boekje is een tegenhanger van het boek 'Mon temoignage sur la torture' van de Franse ex-commandant Áussaresses in Algerije in  1956-1958. Die beval marteling en geheime executies aan als enig effectief middel tegen massale terreur (zie Martelen).  Het boek van Souadia daarentegen is een aanklacht tegen deze methoden, die ook het Algerijnse leger sinds 1992 toepast om het Moslimextremisme te bestrijden.    
   ’Ik heb collega's een kind van 15 jaar levend zien verbranden. Ik heb gezien, dat soldaten, vermomd als  terroristen, burgers vermoordden.  Ik heb officieren  Islamisten zien doodmartelen. Ik heb teveel gezien. Na zulke schendingen van de menselijke  waardigheid kan ik niet meer zwijgen', schrijft hij.

   Achtergronden.
 Nadat Algerije in 1962 onafhankelijkheid had gekregen, werd het aanvankelijk geregeerd door het  FLN (Front de Liberation National)  In 1965 greep kolonel Boumedienne de macht. Hij  het Islamitische karakter van Algerije, maar ook dat het een socialistische republiek was. Toenadering werd gezocht  tot de Sovjet Unie en andere Arabische landen.  

  In 1990
gehouden won de FIS (Front Islamique de Salut) talrijke burgemeester zetels bij lokale verkiezingen. Ook veel niet-fanatieken hadden er  hun stem aan gegeven als protest tegen het wanbeleid van de FLN.   Militanten vervingen  socialistische slogans op de gemeentehuizen door: ‘Islamitische Gemeente'. Zij zwoeren de Sharia in te voeren, vrouwen op het strand te verbieden enz. De 'Islamisten' beheersten het straatbeeld.
   In Januari 1992 zouden algemene verkiezingen worden gehouden  maar het leger wachtte die niet af. Een junta greep de macht en riep de staat van beleg uit. Deze staatsgreep vond in het Westen brede steun.  Regis Debray schreef: 'Als de godsdienst opium voor het volk is, dan is democratie opium voor de derde wereld'.

    Onmiddellijk na de machtsgreep vond een explosie van geweld plaats. Sindsdien zouden  150.000 (',) mensen het leven hebben verloren. In de FIS kregen jeugdige radicalen de overhand en een 'Gewapende Islam Groep splitste zich af'. Toch eisten deze groepen niet van alle massamoorden de verantwoording op en er waren geruchten  dat de geheime dienst van het leger er de hand in had, met name in de aanslag op een vliegveld, waarvan de hoofdverdachte 9 dagen tevoren(!) was gearresteerd.

     In 1993 richtte chef-staf generaal Lamari  een speciale eenheid (Sécurité Militaire: SM) op, die als taak had  met uiterst gewelddadige middelen de -vooral  in arme wijken wonende - sympathisanten van de FIS te intimideren. Van diverse massa-slachtingen zou het leger de dader zijn geweest. In Bentalha kwamen ruim 400 mensen om. Een minster sprak leedwezen uit,  maar merkte op de slachtoffers zelf ook verantwoordelijk waren (!) omdat zij  jarenlang de opstand gesteund hadden.  Een overlevende, Nesrullah Yous, vluchtte naar Frankrijk en schreef in 2000 een boek: 'Wie moordde in Bentalha?'  waarin hij  bevestigde  dat de moord door het leger was gesteund. De Algerijnse regering protesteerde bij Frankrijk.  Ook het boek van Souadia veroorzaakte protesten en dreiging de diplomatieke betrekkingen te verbreken. In 2001 publiceerde een gevluchte directeur van de militaire veiligheid een artikel getiteld: 'Un ancien agent secret brise l'Omerta'. Hij bevestigde niet alleen de beweringen van Souadia,  maar gaf ook de namen van 11 generaals die achter de schermen de werkelijke leiding hebben, met als voornaamste doel de inkomsten van in- en uitvoer te verdelen.  

  Reeds enkele maanden na zijn aantreden werd president Boudiaf vermoord door een officier van de SM.  Hoewel hij een fel tegenstander van de Islamisten, had hij gewaagd het 'militair-industriële complex' te kritiseren. De voorzitter van de 'Beweging voor recht en democratie',  trof kort daarop hetzelfde lot. Hierna werd de 'strijd tegen het terrorisme' onder leiding van de chef van de SM, generaal Lamari, met niets ontziende kracht voortgezet. Duizenden - ook veel officieren -  werden het slachtoffer en velen prefereerden de illegaliteit. Moskeen in de kazernes werden verboden, bidden werd een misdrijf.    

   Het boek 'La sale guerre'
 bevat een overvloed van details, namen van betrokken officieren, terroristen, militaire eenheden en plaatsnamen.  Veel erin gedane beschuldigingen kan hij niet hard bewijzen, zij berusten op impressies of informatie van anderen, maar maken ondanks  de nauwelijks onderdrukte emoties toch een overtuigende indruk. Tenslotte betrof het een jonge luitenant wiens idealisme, het vaderland te willen dienen, diep werd geschokt. Enkele punten uit zijn relaas:
   Souadia werd 7 jaar na de onafhankelijkheid in een dorpje aan de Tunesische grens geboren. In de militaire academie werd hij geselecteerd voor de 'speciale eenheden'.  Hij werd ingezet in de strijd tegen de terroristen, en werd daarbij regelmatig geconfronteerd met onbegrijpelijke situaties. 'We voelden ons pionnen in een schaakspel'. Natuurlijk, de Islamisten moorden ook, maar doen dat toch meestal meer 'gericht', terwijl de SM steeds zonder onderscheid alles doden wat voor hun voeten komt'.   Hij meent dan ook, dat de contraterreur meer slachtoffers heeft gemaakt dan de islamisten-terreur. Hij schat dat op het moment van zijn arrestatie (1995) al  40.000 doden onder de burgerbevolking waren! Die waren vooral het slachtoffer van de SM, die in volkswijken, waar veel sympathie voor het FIS bestond, meedogenloos optrad: massale arrestaties, systematisch gevolgd door foltering, concentratiekamp of verdwijning. 'Het was een machine om terroristen te kweken'. Zij die vrijkwamen of ontsnapten hadden zo'n haat gekregen dat zij ‘prenaient le maquis’.

    In 1995 werd Souadia tot 4 jaar gevangenis veroordeeld op uitspraak van een valse getuige. Zelf meent hij dat het was omdat hij te duidelijk zijn afkeuring van de methoden van de veiligheidstroepen had laten merken. Toen hij in 1999 vrij kwam, vluchtte hij naar Frankrijk  waar hij politiek asiel kreeg en dit boek schreef. 'Ik ben dat land dankbaar, maar klaag het ook aan omdat het nog steeds dat misdadige regiem steunt en er waarschijnlijk voordeel van trekt' schreef hij.

    Beschouwing.

 Het boekje is en aangrijpend persoonlijk relaas. Maar welke algemene conclusie moeten we trekken? Fernando Imposimato, oud vice president van het Italiaanse hooggerechtshof, gespecialiseerd in corruptie en bekend om zijn acties bij terroristische aanslagen (moord op Aldo Moro, de Paus) schreef er een inleiding bij. 'Er bestaan waarheden, onbegrijpelijk voor een gewoon mens, die niettemin realiteit zijn', zegt hij. Hij wijst er op, dat de beschreven feiten griezelige gelijkenis vertonen met de Franse militaire repressie in Algerije (1954-1962), die van Amerika in Vietnam en van de leerlingen van de 'Amerikaanse school' in Latijns Amerika. Maar men moet de oorsprong van (ook Islamitisch) terrorisme trachten te begrijpen anders is geen effectieve therapie mogelijk.

Hij ziet ook overeenkomst met de gebeurtenissen in Italië in de 70-er jaren, toen de geheime dienst van het leger (de 'onzichtbare macht') tegen de terreur van de 'Rode brigades' een contra terreur ontketende, soms zelfs de terroristen even hun gang lieten gaan om zo hun repressieve maatregelen te rechtvaardigen. Omgekeerd was het doel van de Rode brigades om de overheid tot steeds repressiever beleid te provoceren, om haar vervolgens als antidemocratisch aan de kaak te stellen. Dat is hen, ondanks tientallen moorden op rechters en politie functionarissen, dankzij de democratische houding van de magistraten, toen niet gelukt.

Imposimato eindigt met de profetische woorden: 'Men moet het terrorisme zo hard mogelijk aanpakken en hen ontmaskeren die het misbruiken onder het mom van het te bestrijden'.
Maar laten Europa en de USA zich geen illusies maken: Zij zullen vroeg of laat zeer duur moeten betalen voor het feit dat zij veinsden niets te zien en niets te begrijpen. Het begrip nationaal en locaal terrorisme is een gepasseerd station. Internationale samenwerking is nodig, maar die zal dienen te  begrijpen welke diepe sociale malaise er in iedere context aan de Islamitische djihad ten grondslag liggen'.    

 
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu