*Geschiedschrijving - EDM-2013

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

*Geschiedschrijving

Geschiedenis
.                                                                 Ik geloof niet dat je kunt praten over politiek of                               .                                                             wat dan ook zonder  een historisch besef. (I.Buruma)        
    Geschiedenis is, wat er nu ècht  in het verleden gebeurd is. Idealiter is geschiedenis een empirische wetenschap Die zou objectief en waardevrij moeten zijn. Maar het gaat wel over een menswetenschap, waarvan de grens met verwante takken als sociologie en antropologie niet vaststaat. In dat soort wetenschap is objectiviteit en onbevooroordeeldheid bijzonder moeilijk. Veel filosofen hielden er zich mee bezig, maar hun oordeel was onderdeel van hun visie op de mens.  Veel beoefenaars  hebben een politiek doel voor ogen en trachten slechts de schijn van objectiviteit te wekken. Want  de versie van geschiedenis is uiterst nuttig  voor de politiek.   Livius wilde met de geschiedenis van het Romeinse volk (‘Ab urbe condita’)  het nationalisme legitimeren.  Bekende schrijvers als Xenophon en Caesar verhulden niet, dat zij vooral hun eigen prestaties aanprezen. Daarbij ontkomen weinig auteurs aan de verleiding om ook een moreel oordeel te geven. Bewijs dat objectiviteit mogelijk is, is  de Turkse historicus Taner Akcam, die zijn leven wijdde aan de Armeense genocide en tot een (voor Turkije) vernietigende conclusie kwam.
.    Maar overzichtelijke kennis van het verleden is om verschillende redenen onmogelijk:                                                                                                                          1) Veel feiten zijn verloren en niet meer te vinden. Ook verstoppen leiders ‘om veiligheid redenen’ feiten lange tijd in archieven en uitstel  bemoeilijkt het oordeel. Het instellen van het ‘Bureau voor Oorlogsdocumentatie’ was dan ook een unicum. Maar dat duurde maar kort: sindsdien hebben al onze regeringen onderzoek naar onze ‘Indonesische oorlog’ weten te verhinderen tot de laatste getuige overleden is                                                                                                                      2) Onze eerste kennismaking met geschiedenis is op de (lagere) school. Die is (overal) uiterst eenzijdig nationalistisch. Leiders schrijven graag ‘memoires’: per definitie subjectief. In Frankrijk en Duitsland zijn duizenden gedenktekens. ‘Ici repose un soldat Francais, mort pour la Patrie’. Geen historicus kan toegeven, dat zij voor niets gestorven zijn. Zo wordt tevens het idee, dat wij er iets van kunnen leren, geblokkeerd. Er zou een onderzoek (dissertatie) naar vergelijking van schoolboekjes uit allerlei landen moeten worden gedaan.
       Geschiedenis als wetenschap     ‘It aint neceesarily so’ (Gershwin)
    De taak van de historicus is, om  na vaststelling van de feiten, verbanden te leggen en zo mogelijk te verklaren  waarom gebeurtenissen zich hebben afgespeeld.   Ik wil twee zaken voorop stellen:                                                                          1) Het is ieders neiging, bij een conflict te zoeken ‘wie gelijk heeft’ en dus wie  slecht is. De historicus dient zich van zo’n waardeoordeel te onthouden.                        2) Er zijn altijd meerder ‘factoren’ in het spel. Maar de relatieve belang van een factor kan van geval tot geval sterk wisselen,
 Welke factoren kunnen we onderscheiden?   
a) Grote personen.    Dit is een zeer populair gegeven. Natuurlijk waren het vooral  Grote Mannen.  Die visie vond zijn toppunt in ‘On heroes, hero-worship and the heroic in history’(1841) van Thomas Carlyle. Vanuit een streng calvinistische achtergrond beschreef hij  de geschiedenis als een strijd tussen goed en kwaad, waarbij (door God geleide) Grote Leiders (helden) de mensheid de juiste weg wezen.                                                                                     De begrijpelijke positieve waardering door Cromwell en Frederik de Grote maakten dat hij zowel in Engeland als in Duitsland veel invloed had.                                                      Belangwekkend is in dit verband dat Tolstoj, die de oorlogen van de 'grote' Napoleon zelf meemaakte, in zijn magistrale roman  ‘Oorlog en vrede' tot een tegengestelde conclusie kwam:   ‘ Zodra men zich in de essentie van elke historische gebeurtenis verdiept, kan men zien dat de wil van de enkeling niet alleen de massa's niet leidt, maar zelf doorlopend geleid wordt. Zo handelden, gehoor gevend aan hun eigenschappen, gewoonten en omstandigheden, de ontelbare dramatis personae in deze oorlog. Zij waren ten prooi aan vrees, ijdelheid, vreugde, pleegden overleg en meenden oprecht dat zij wisten wat zij deden, dat zij op eigen initiatief handelden. Maar toch waren zij de willoze werktuigen van de geschiedenis. Dat is nu eenmaal het onontkoombare lot van alle betrokkenen  Des te onvrijer zijn zij, naarmate zij hoger in de menselijke hiërarchie staan.   
Toch denk ik, dat de invloed van personen enorm kan zijn, maar we weten niet wat er zonder hen gebeurd zou zijn.  Engeland zou wellicht zonder Churchill in 1940  hetzelfde gedaan hebben, maar zijn invloed (tegen Rusland) was later doorslaggevend Anders ligt het bij Hitler (zie: Hitlers charisma van L.Rees)                
          Aan Atatürk wijd ik een aparte beschouwing: ‘Atatürk, een ‘Curse in                                      .     .     disguise’ voor Turkije
b) Economie. Dat naast klimaat en hongersnoden, geld en inkomsten gebeurtenissen beïnvloeden ligt toch zo voor de hand.  Kijk naar ‘onze’ VOC, ‘Verdeel en heers’ van Wesseling. Het is vreemd, dat Marx hier pas het eerst de aandacht op vestigde. Maar Marx reikte ook een ‘oplossing’ aan (Verelendungstheorie, Wereldrevolutie) die niet klopte. Zijn epigonen breidden zijn idee verder uit met als gruwelijkste voorbeelden de terreur regimes van de Soviet Unie en Cambodja’s  Killing Fields’. Maar zelf was hij meer filosoof en historicus. ‘Ik ben geen Marxist’ zei hij. Wanneer je het meeslepende ‘Communistisch Manifest’ leest, is het moeilijk te ontkennen, dat hij de maatschappij van die tijd goed analyseerde.    
c) Ideologie en godsdienst. Elke godsdienst is, als zij op maatschappelijk terrein komt, ook ideologie. ‘Maar er zijn toch ‘godsdienst oorlogen’?                     M.i. is godsdienst zelden of nooit de reden voor een oorlog, maar wordt zij vrijwel obligaat als steun gebruikt.                                                                       Lodewijk 14de vervolgde de protestanten uit puur machtsstreven, niet uit vroomheid. Aan zijn hof was overspel ‘bon-ton.  De enige echte godsdienst- oorlog was de opstand van de ‘Camisards’ in de Cevennen (Agnes de la Gorce: Camisards et dragons du roy’ )                                                                              In WO-1 wisten de drie ‘Westerse machten zich allen verzekerd van de steun van dezelfde God.     Niemand zag de absurditeit daarvan in!                             Ook ideologie wordt als dekmantel voor machtstreven gebruikt. Stalin liet Trotski, die het wereld communisme wel wilde verbreiden, vermoorden.
    Nationalisme is een vorm van ideologie. Dikwijls wordt vanzelfsprekend aangenomen, dat volken een natuurlijke wens hebben, een natie te vormen. De historie geeft daaraan geen steun. De ‘Nederlandse geschiedenis’ zou beginnen bij de Batavieren. Maar ‘wij’ hadden geen bezwaar tegen Bourgondische en Duitse heersers en evenmin tegen de ‘Koninck van Hispanje’ omdat hij Spanjaard was. Pas toen hij religieuze onderdrukking (brandstapels) en economische eisen (‘Tiende penning’) met woest geweld (Alva) wilde opleggen, kwam er verzet. Dit wijst op een belangrijk aspect van natievorming: druk en geweld van buiten.  De Verenigde Staten hebben geen gezamenlijke taal, geschiedenis of godsdienst. Daarom moet het nationalisme er ook worden ingehamerd: zie de ‘Pledge of allegiance to the Flag’.    De Groningse hoogleraar Koch schreef n.a.v. Wilson’s goedbedoelde streven: ‘Ik ken geen giftiger beginsel dan het zelfbeschikkingsrecht van volken’.   Wesseling wees er op, dat naties niet voortkomen uit de natuur, maar product zijn van de geschiedschrijving. Hij citeert Cavour, die in 1866 zei: ‘We hebben nu Italië geschapen, onze volgende taak is Italianen te scheppen’.                                                                        Aanvaarding van deze simpele, maar revolutionaire these bespaart mij de moeite om aandacht te besteden aan de vele discussies over ‘wat een natie eigenlijk is’.   
d) Cultuur. Dit is een romantische opvatting, waar ik na het bovenstaande niet veel ruimte aan wil besteden. In de vorig eeuw maakte Spenglers ‘Untergang des Abendlandes’ tijdelijk opgang. Culturen (beschavingen) zouden een eigen leven hebben met jeugd, bloei en ouderdom. Dit is inderdaad wat wij vaak zien. Maar het is een beschrijving van een fenomeen, geen verklaring. Recent trok Huntington met zijn  artikel:          ‘The clash of civilisations’ dezelfde aandacht, maar het werd ook door politici met graagte aangegrepen om hun visie op ‘good and evil’ in de wereld te steunen. Ook het absurde ‘The end of history’ van Fukijama (hij distantieerde er zich later van) valt in deze categorie.

Conclusie: Objectieve geschiedschrijving is moeilijk, maar niet geheel onmogelijk. Er is nu meer dan ooit schreeuwende behoefte aan.
                                Evert Mees, Mrt 2016

 
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu